investigashon tokante atendementu di kehonan relashoná ku otorgashon di asistensia legal gratis dor di Ministerio di Desaroyo Sosial, Labor i Bienestar

Adaptá riba:

Verzoekster heeft op 18 november 2024 bij de Ombudsman een verzoek ingediend om de
behoorlijkheid te onderzoeken van twee gedragingen die kunnen worden toegerekend aan de
Minister van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn .
Verzoekster stelt – kort samengevat – dat medewerkers van de Sector Arbeid van het
Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn onzorgvuldig en niet met de vereiste
voortvarendheid zijn omgegaan met haar verzoek om het ontslag bij haar voormalige
werkgever, (bedrijfsnaam), in rechte aan te vechten. Als gevolg hiervan kon zij dit ontslag niet
tijdig aan een onafhankelijke rechter voorleggen, waardoor het inmiddels in rechte
onaantastbaar is geworden. Daarnaast stelt verzoekster dat de Sector Arbeid ten onrechte
heeft geweigerd haar kosteloze rechtskundige bijstand (hierna: krb) te verlenen, teneinde de
vermoedelijk onbehoorlijke handelwijze van de medewerkers van de Sector Arbeid alsnog aan
een onafhankelijke rechter voor te leggen.


1.2 Bij brief van 17 maart 2025 heeft de Ombudsman het verzoekschrift van 18 november 2024
aan de Minister van SOAW toegezonden, met het verzoek om een inhoudelijke reactie. In
dezelfde brief is de Minister van SOAW uitgenodigd voor een hoorzitting die op 15 april 2025
zou plaatsvinden. Een afschrift van deze brief is tevens verzonden aan de Sectordirecteur
Arbeid.


1.3 Bij brief van 18 maart 2025 is verzoekster uitgenodigd om op 15 april 2025 deel te nemen aan
de hoorzitting.


1.4 Op 15 april 2025 heeft de hoorzitting plaatsgevonden. Aan deze hoorzitting hebben
verzoekster en de heer (naam) deelgenomen. De Minister van SOAW werd vertegenwoordigd
door mevrouw mr (naam) en de heer mr. (naam), beiden werkzaam bij het Ministerie van
Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn . Tijdens de
hoorzitting is tevens de schriftelijke reactie van de Minister van SOAW op de brief van 17
maart 2025 overgelegd.


1.5 De tijdens de hoorzitting gemaakte afspraken zijn per e-mail bevestigd aan de hierboven
genoemde medewerkers van het Ministerie van SOAW.


1.6 Bij e-mail van 27 mei 2025 zijn de hierboven genoemde medewerkers van het Ministerie van
SOAW herinnerd aan de tijdens de hoorzitting gemaakte afspraken.


1.7 Bij e-mail van 3 juni 2025 heeft de heer (naam), conform de tijdens de hoorzitting gemaakte
afspraken, een reactie gegeven. Daarbij is tevens een aantal documenten overgelegd.


1.8 De Voorlopige Bevindingen in deze zaak zijn op 24 juli 2025 uitgebracht. Verzoekster en de
Minister van SOAW zijn in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten. Verzoekster
heeft niet gereageerd op de Voorlopige Bevindingen.

1.9 Bij brief van 18 augustus 2025, door de Ombudsman ontvangen op 28 augustus 2025, heeft
de Minister van SOAW verzocht om uitstel van de reactietermijn met drie maanden.


1.10 Bij e-mail van 23 september 2025 heeft de Ombudsman, na (telefonisch) contact met
verzoekster, de Minister van SOAW geïnformeerd dat het uitstelverzoek is gehonoreerd en
dat de nieuwe uiterste datum om te reageren op de Voorlopige Bevindingen 24 november
2025 is. De Ombudsman heeft geen reactie van de Minister van SOAW op de Voorlopige
Bevindingen ontvangen.

2. De bevindingen
De voor de beoordeling van dit verzoek relevante bevindingen kunnen, kort samengevat, als volgt
worden weergegeven. 


2.1 Verzoekster was gedurende zestien jaar werkzaam bij (bedrijfsnaam).
2.2 In december 2023 is verzoekster op staande voet ontslagen door (bedrijfsnaam). Naar
aanleiding daarvan heeft zij zich, omdat zij het niet eens was met het ontslag, gemeld bij de
Sector Arbeid.


2.3 Verzoekster is gehoord door de heer (naam), die – conform de werkprocedure van de Sector
Arbeid – telefonisch contact heeft opgenomen met (bedrijfsnaam) om nadere informatie in te
winnen. De heer (naam) trad in deze zaak op als observant, terwijl de formele behandeling
van de zaak werd uitgevoerd door de heer (medewerker2), die destijds eveneens werkzaam
was bij de Sector Arbeid.


2.4 In januari 2024 vond een gesprek plaats tussen de Sector Arbeid en (bedrijfsnaam). Tijdens dit
gesprek verklaarde (bedrijfsnaam) dat het ontslag van verzoekster niet zou worden
herroepen. Volgens (bedrijfsnaam) had verzoekster zich herhaaldelijk schuldig gemaakt aan
soortgelijk gedrag dat had geleid tot haar ontslag, ondanks het feit dat zij meerdere malen
schriftelijk was gewaarschuwd. Het vertrouwen in verzoekster zou daardoor onherstelbaar
zijn geschaad en voortzetting van de arbeidsrelatie werd niet langer mogelijk of wenselijk
geacht.


2.5 Op basis van de door (bedrijfsnaam) overgelegde documenten – waaronder vier schriftelijke
waarschuwingen en de ontslagbrief – concludeerde de Sector Arbeid dat het aan verzoekster
verleende ontslag juridisch stand zou kunnen houden.


2.6 In een vervolggesprek heeft de heer (naam) verzoekster geïnformeerd dat er naar het oordeel
van de Sector Arbeid onvoldoende gronden aanwezig waren om verdere juridische stappen te
rechtvaardigen. Verzoekster heeft daarop haar ongenoegen geuit over de rol die de heer
(medewerker 2) in deze zaak zou hebben gespeeld.

2.7 Ondanks het feit dat de zaak formeel was afgesloten, heeft de heer (naam) – naar eigen
zeggen uit empathie voor de situatie van verzoekster – op eigen initiatief opnieuw contact
opgenomen met (bedrijfsnaam). Het doel hiervan was te onderzoeken of er desondanks
ruimte bestond voor een alternatieve oplossing, waarbij verzoekster ten minste erkenning zou
krijgen voor haar opgebouwde dienstjaren. (Bedrijfsnaam) gaf aan daartoe niet bereid te zijn.
Niettemin bleef verzoekster zich herhaaldelijk wenden tot de Sector Arbeid met het verzoek
om verdere bemiddeling. Zij werd daarbij geïnformeerd over de aard en reikwijdte van de taak
van de Sector Arbeid. Verzoekster werd uitgelegd dat de Sector Arbeid uitsluitend een
bemiddelende functie vervult in arbeidsconflicten en niet beschikt over dwingende
bevoegdheden om werkgevers te verplichten ontslagbesluiten terug te draaien. De heer
(naam) zou in dat verband telkens hebben benadrukt dat hij zelf geen inhoudelijke rol heeft
gespeeld in de formele behandeling van haar zaak.


2.8 Niettemin diende verzoekster een formele klacht in bij de (toenmalige) directeur van de Sector
Arbeid. Naar aanleiding daarvan werd een gesprek gepland tussen deze sectordirecteur, de
heer (naam) en verzoekster. De sectordirecteur gaf opdracht om de beschikbare stukken te
verzamelen en de zaak alsnog aan een advocaat voor te leggen, teneinde te laten beoordelen
of er nog juridische mogelijkheden voor verzoekster bestonden. De heer (naam) stelt daarbij
te hebben aangegeven dat de wettelijke vervaltermijn voor het aanvechten van een ontslag
op staande voet van zes maanden mogelijk reeds was verstreken, hetgeen de kans op een
succesvolle juridische actie aanzienlijk zou beperken. Desondanks verzocht de sectordirecteur
de heer (naam) de zaak ter beoordeling aan een advocaat voor te leggen.


2.9 Op 5 februari 2025 ontving de Sector Arbeid een brief van mevrouw (naam), advocaat, waarin
zij de kaart voor krb en het bewijs van onvermogen retourneerde. Als reden gaf zij aan dat de
termijn van zes maanden om het ontslag aan te vechten inmiddels was verstreken, waardoor
zij juridisch gezien niets meer voor verzoekster kon betekenen.


2.10 Verzoekster heeft de Sector Arbeid vervolgens mondeling verzocht om krb, met als doel de
vermoedelijk onbehoorlijke handelwijze van diezelfde sector aan een onafhankelijke rechter
voor te leggen. Deze aanvraag verzoek werd niet ingewilligd. Van deze beslissing is geen
schriftelijke vastlegging aangetroffen.


2.11 De Minister van SOAW heeft het standpunt ingenomen dat op de Sector Arbeid geen
verplichting rust om krb te verlenen. Bij e-mail van 3 juni 2025 is het daarop toepasselijke
beleid overgelegd, te weten de ‘Richtlijnen voor de toepassing van het Landsbesluit Kosteloze
Rechtskundige Bijstand’. Deze richtlijnen hebben uitsluitend betrekking op krb in civiele zaken
of arbeidsgeschillen.


2.12 Op grond van het voorgaande is het standpunt van de Minister van SOAW dat de toekenning
van krb facultatief is en afhankelijk van een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Uit
hoofdstuk 5 van de richtlijnen blijkt – voor zover hier relevant – dat, voordat een
toekenningsbeslissing wordt genomen, de aanvraag om krb niet alleen wordt getoetst aan het
inkomen en de woonplaats van de aanvrager, maar ook aan tien additionele, in deze
richtlijnen vastgestelde vereisten. Eén van deze vereisten is dat de zaak een redelijke kans van
slagen moet hebben. Een zaak waarvan van tevoren vaststaat dat deze voor de rechter
volslagen kansloos is, komt volgens deze richtlijnen niet in aanmerking voor krb.


2.13 Indien uit die beoordeling echter zou blijken dat het ontslag op staande voet niet
gerechtvaardigd was, kan de klachtenafdeling, in het kader van haar bemiddelende taak,
besluiten om krb te faciliteren. Een afwijzend besluit of een intrekkingsbesluit wordt in dat
geval binnen één week schriftelijk genomen en bekendgemaakt. Indien de aanvrager het niet
eens is met de beslissing van de Sector Arbeid, kan hij daartegen bezwaar maken of beroep
instellen.


2.14 Volgens de Minister van SOAW heeft de Sector Arbeid in het geval van verzoekster niet
onbehoorlijk gehandeld. De handelingen van de heer (naam) zouden in overeenstemming zijn
geweest met het Landsbesluit Kosteloze Rechtskundige Bijstand (P.B. 2025, no. 80), het beleid
van de Sector Arbeid en de instructies van zijn leidinggevenden.


2.15 Daarnaast heeft de Sector Arbeid aangegeven, zoals verwoord in de e-mail van 3 juni 2025,
dat het Ministerie van SOAW geen krb verleent aan personen die hun werkelijke woonplaats
in Curaçao hebben en die een gerechtelijke procedure tegen de overheid wensen aan te
spannen. Volgens het Ministerie van SOAW dienen deze personen, indien zij een rechtszaak
tegen de overheid aanhangig wensen te maken, op eigen initiatief en op eigen kosten een
advocaat in te schakelen. Dit standpunt geldt ook voor verzoekster.


2.16 Artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) bepaalt dat bij het vaststellen van zijn burgerlijke
rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde
vervolging eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen
een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft in dit verband
herhaaldelijk benadrukt dat het recht op toegang tot de rechter een essentieel onderdeel
vormt van het in artikel 6, eerste lid, EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces (zie onder
meer EHRM, McVicar t. Verenigd Koninkrijk, 7 mei 2002, en AB 2011/222).


2.17 Het recht op krb is volgens het EHRM echter niet absoluut. In dit kader heeft het EHRM nader
gepreciseerd onder welke omstandigheden de verlening van rechtsbijstand noodzakelijk kan
zijn om een eerlijk proces te waarborgen. Het EHRM heeft geoordeeld dat deze noodzaak
moet worden beoordeeld in het licht van de bijzondere feiten en omstandigheden van het
individuele geval. Daarbij spelen onder meer de volgende factoren een rol: het belang dat de
zaak voor de verzoeker heeft, de complexiteit van het toepasselijke recht en de procedure,
en het vermogen van de verzoeker om zijn eigen verdediging te voeren.

3. Beoordeling
3.1 Het onderhavige verzoek heeft betrekking op twee onderscheiden aspecten van het
overheidshandelen, te weten:
(a) het handelen van de Sector Arbeid in het kader van het verzoek om het ontslag bij de
voormalige werkgever van verzoekster in rechte aan te vechten, en
(b) de wijze waarop de Sector Arbeid is omgegaan met de aanvraag van verzoekster om krb
teneinde het handelen van diezelfde sector aan een onafhankelijke rechter voor te leggen.
Deze aspecten worden hierna afzonderlijk beoordeeld, aan de hand van de toepasselijke
normen van behoorlijkheid.
Onzorgvuldig en niet met de nodige voortvarendheid handelen inzake het verzoek om het
ontslag aan te vechten.


3.2 De Ombudsman stelt allereerst vast dat de Sector Arbeid na de melding van verzoekster over
haar ontslag in december 2023, op korte termijn de informatie en stukken heeft verzameld
die ten grondslag lagen aan dit ontslag. Daarna heeft de Sector Arbeid, mede conform het
toepasselijke beleid, stappen ondernomen om door middel van bemiddeling tot een mogelijke
oplossing te komen. Deze bemiddelingspogingen hebben niet geleid tot een voor verzoekster
gunstig resultaat.


3.3 De Sector Arbeid heeft daarna, conform zijn beleid en in navolging van de jurisprudentie, een
eigen inhoudelijke inschatting gemaakt van de kans van slagen van een eventuele
gerechtelijke procedure.1 De Sector Arbeid is daarbij tot de conclusie gekomen dat het aan
verzoekster verleende ontslag juridisch stand zou kunnen houden en dat een rechtszaak
derhalve geen reële kans van slagen zou hebben. Om die reden is besloten om de door
verzoekster aangevraagde krb niet te verlenen. Verzoekster is in januari 2024 mondeling op
de hoogte gesteld van deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende redenen.


3.4 De Ombudsman merkt in dit verband echter op dat de Sector Arbeid heeft nagelaten om deze
beslissing, in overeenstemming met zijn eigen beleid, schriftelijk (in ieder geval vanaf januari
2024) vast te leggen. Ook mede gelet op de veelvuldige bezoeken en vragen van verzoekster
na januari 2024 over de status van haar aanvraag om krb, had het op de weg van de Sector
Arbeid gelegen om de formele afronding van dit traject op adequate wijze te communiceren
met verzoekster.


3.5 Hoewel het nalaten van de Sector Arbeid om de afwijzing van de aanvraag om kosteloze
rechtskundige bijstand schriftelijk vast te leggen op zichzelf niet ziet op de inhoudelijke
beoordeling van het ontslag, raakt deze handelwijze wél aan de wijze waarop verzoekster in
staat is gesteld om haar ontslag met adequate rechtsbescherming aan te vechten. Door het
uitblijven van een schriftelijke, kenbare beslissing is verzoekster in belangrijke mate belemmerd om tijdig en effectief gebruik te maken van de haar toekomende rechtsmiddelen,
waaronder het maken van bezwaar of het instellen van beroep bij de bestuursrechter. De
toekenning dan wel afwijzing van een aanvraag om kosteloze rechtskundige bijstand betreft
een appellabele beschikking in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak,
zoals ook volgt uit de lokale jurisprudentie en de zorgbrief van de Ombudsman van 31 oktober
2017 (nr. 430/2017) inzake de uitvoering van kosteloze rechtskundige bijstand. Door
verzoekster niet schriftelijk te informeren over het einde en de uitkomst van het traject rond
haar aanvraag om rechtsbijstand, heeft de Sector Arbeid haar niet alleen onvoldoende
duidelijkheid verschaft over haar rechtspositie, maar ook nagelaten haar actief en tijdig te
wijzen op de beschikbare mogelijkheden van rechtsbescherming. Daarmee is gehandeld in
strijd met de behoorlijkheidsnormen van goede informatieverstrekking en fair play, welke
normen juist beogen te waarborgen dat burgers hun rechten effectief kunnen uitoefenen in
situaties waarin ingrijpende besluiten, zoals het verlies van werk, aan de orde zijn.


3.6 In het verlengde van het voorgaande merkt de Ombudsman op dat het alsnog verstrekken van
een kaart voor krb, terwijl aannemelijk was dat door het verstrijken van de termijn van zes
maanden een inhoudelijke rechterlijke toetsing van het ontslag in beginsel niet meer mogelijk
was, niet zonder meer kan worden gevolgd, vooral nu uit het dossier en de toelichting gegeven
tijdens de hoorzitting onvoldoende duidelijk is geworden welk concreet doel de Sector Arbeid
met het verstrekken van deze kaart voor ogen had. Dit handelen heeft geen additionele
nadelige gevolgen gehad voor de rechtspositie van verzoekster.
 

Krb om de vermoedelijk onbehoorlijke handelwijze van de medewerkers van de Sector Arbeid
aan een onafhankelijke rechter voor te leggen


3.7 De Ombudsman stelt vast dat verzoekster zich tot de Sector Arbeid heeft gewend met een
aanvraag voor kosteloze rechtskundige bijstand, teneinde de vermoedelijk onbehoorlijke
handelwijze van de medewerkers van de Sector Arbeid aan een onafhankelijke rechter voor
te leggen. Uit de beschikbare informatie blijkt echter dat deze aanvraag nimmer schriftelijk is
ingediend.


3.8 Hoewel een mondeling verzoek op zich niet kan worden aangemerkt als een formele aanvraag
in de zin van de toepasselijke regelgeving, ontslaat dit de Sector Arbeid niet van de verplichting
om verzoekster op zorgvuldige en duidelijke wijze te informeren over de te volgen procedure,
waaronder de vereisten die nodig zijn voor het indienen van een formele aanvraag. De
overheid kan zich in een dergelijk geval dus niet beperken tot een loutere ‘mondelinge’
afwijzing. Het lag derhalve op de weg van de Sector Arbeid om verzoekster hierop te wijzen
dan wel zelfstandig zorg te dragen voor een schriftelijke vastlegging van de afwijzende
beslissing.


3.9 De Ombudsman merkt verder op dat, hoewel volgens vaste jurisprudentie van het EHRM in
beginsel geen absoluut recht bestaat op kosteloze rechtskundige bijstand, aanvragen om krb
die burgers doen teneinde het handelen van de overheid aan een onafhankelijke rechter voor
te leggen, niet zonder individuele beoordeling mogen worden afgewezen, enkel omdat de
burger de overheid zelf in rechte wenst aan te spreken. De aanname dat de burger hiervoor
op eigen initiatief en op eigen kosten een advocaat moet inschakelen kan strijdigheid
opleveren met artikel 13 van het EVRM, dat het recht op een effectief rechtsmiddel
waarborgt. Dit is vooral het geval wanneer de overheid op voorhand weet dat de burger niet
over de financiële middelen beschikt om een rechtszaak aanhangig te maken. Dat de burger
ook een bezwaarschrift kan indienen maakt dit op zich niet anders. De wet geeft de burger
namelijk de keuze om hetzij een bezwaarschrift hetzij een beroepschrift in te dienen. Ook hier
heeft de overheid niet in overeenstemming gehandeld met de behoorlijkheidsnorm van fair
play.


3.10 In dit verband acht de Ombudsman tevens van belang dat Curaçao tot op heden niet beschikt
over een juridisch loket of een andere laagdrempelige voorziening waar burgers kosteloos en
onafhankelijk juridisch advies kunnen inwinnen over hun rechtspositie, in het bijzonder waar
het geschillen met de overheid betreft. Dit structurele gegeven vergroot de afhankelijkheid
van burgers van bestaande regelingen voor kosteloze rechtskundige bijstand en brengt mee
dat bestuursorganen bij de toepassing daarvan een verhoogde verantwoordelijkheid dragen
om maatwerk te leveren en individuele omstandigheden daadwerkelijk te betrekken bij hun
besluitvorming. Tegen deze achtergrond kan een strikte of automatische toepassing van
beleidsregels inzake kosteloze rechtskundige bijstand, zonder ruimte voor een inhoudelijke
en individuele beoordeling, ertoe leiden dat burgers feitelijk worden belemmerd in hun
toegang tot een onafhankelijke rechter. Het zonder nadere afweging afwijzen van aanvragen
om kosteloze rechtskundige bijstand uitsluitend op de grond dat deze zijn gericht tegen het
handelen van de overheid zelf, acht de Ombudsman daarom in strijd met de normen van
behoorlijk bestuur, zoals de norm van fair play.


4. Oordeel
Ten aanzien van het klachtonderdeel dat betrekking heeft op het gestelde onzorgvuldig en niet met
de vereiste voortvarendheid handelen van de medewerkers van de Sector Arbeid bij de aanvraag van
verzoekster om haar ontslag bij haar voormalige werkgever in rechte aan te vechten, is de
Ombudsman van oordeel dat de Sector Arbeid in dit opzicht voor een deel onbehoorlijk heeft
gehandeld. Het verzoek is wat betreft dit klachtonderdeel dus gedeeltelijk gegrond.
Ten aanzien van het klachtonderdeel dat betrekking heeft op de wijze waarop de Sector Arbeid is
omgegaan met de aanvraag van verzoekster om kosteloze rechtskundige bijstand teneinde de
vermoedelijk onbehoorlijke handelwijze van de medewerkers van de Sector Arbeid aan een
onafhankelijke rechter voor te leggen, is de Ombudsman van oordeel dat deze aanvraag niet op een
behoorlijke wijze is afgehandeld. Het verzoek is voor wat betreft dit klachtonderdeel dus gegrond.


5. Aanbevelingen
Naar aanleiding van het voorgaande geeft de Ombudsman de Minister van Sociale Ontwikkeling,
Arbeid en Welzijn in overweging om:
I. Te waarborgen dat op aanvragen om kosteloze rechtskundige bijstand steeds wordt beslist bij
een schriftelijke en voldoende gemotiveerde beschikking, met vermelding van de
openstaande rechtsmiddelen en termijnen, ongeacht de uitkomst van de aanvraag.
II. De afwijzing van de aanvraag van verzoekster om kosteloze rechtskundige bijstand teneinde
de vermoedelijk onbehoorlijke handelwijze van de medewerkers van de Sector Arbeid aan
een onafhankelijke rechter voor te leggen, binnen een termijn van zes weken na dagtekening
van dit rapport, alsnog schriftelijk vast te leggen in de vorm van een gemotiveerde en
appellabele beslissing, met vermelding van de openstaande rechtsmiddelen en termijnen.
III. Uiterlijk vier maanden na dagtekening van dit rapport aanvullend (schriftelijk) beleid vast te
stellen voor de behandeling van aanvragen om kosteloze rechtskundige bijstand in situaties
waarin kwetsbare burgers het handelen van de overheid zelf aan een onafhankelijke rechter
wensen voor te leggen, waarbij expliciet aandacht wordt besteed aan onder meer het vereiste
van een zorgvuldige en individuele beoordeling van de omstandigheden van het geval.


Willemstad, 23 december 2025
 

De Ombudsman van Curaçao,
 

K.R. Concincion