Uitblijven reactie op herzieningsverzoek bevordering politieambtenaar
Verzoekster heeft de Ombudsman van Curaçao op 25 november 2022 verzocht om de behoorlijkheid van een gedraging van de Minister van Justitie te onderzoeken. Verzoekster klaagt erover dat zij geen reactie heeft ontvangen van de Minister van Justitie op het herzieningsverzoek van 31 mei 2019 van wijlen de heer I.D.S. , waarin de heer S. – kort samengevat – heeft verzocht om hem alsnog te bevorderen tot hoofdagent.
Bij brief van 12 januari 2023 heeft de Ombudsman het verzoekschrift van 25 november 2022 aan de Minister van Justitie doen toekomen voor een inhoudelijke reactie. Op deze brief heeft de Minister van Justitie niet gereageerd.
Bij brief van 16 februari 2023 heeft de Ombudsman de Minister van Justitie aan zijn brief van 12 januari 2023 herinnerd. Op deze rappelbrief heeft de Minister van Justitie niet gereageerd.
Bij e-mail van 19 juni 2023 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman in het kader van een interventie de kabinetschef van de Minister van Justitie om haar medewerking in deze zaak verzocht. Op deze e-mail heeft Ombudsman geen reactie gekregen.
Bij e-mail van 20 juni 2023 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman alle op deze zaak betrekking hebbende stukken naar een medewerker van het Ministerie van Justitie gestuurd die, onder meer, belast is met het behandelen van klachten afkomstig van de Ombudsman. Op deze e-mail heeft Ombudsman geen reactie gekregen.
Bij e-mail van 20 december 2023 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman de aandacht van de directeur van de Beleidsorganisatie van het Ministerie van Justitie gevraagd voor – onder andere – het verzoek van 25 november 2022 van verzoekster. Desgevraagd is per e-mail van 22 december 2023 een afschrift van het digitale dossier naar de beleidsdirecteur voornoemd gestuurd.
Tijdens een gesprek met de beleidsdirecteur op 23 februari 2024 bij het Ministerie van Justitie, is wederom de aandacht van de beleidsdirecteur gevraagd voor (onder meer) het geval van verzoekster.
De Voorlopige Bevindingen in deze zaak zijn op 21 juni 2024 uitgebracht. De Minister van Justitie en verzoekster zijn in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de Voorlopige Bevindingen. Verzoekster heeft niet gereageerd op de Voorlopige Bevindingen.
De Minister van Justitie heeft op 24 juli 2024 verzocht om verlenging van de termijn om te reageren op de Voorlopige Bevindingen. De Ombudsman heeft dit verzoek ingewilligd en de reactietermijn voor de Minister van Justitie tot 16 augustus 2024 verlengd. Een reactie op de Voorlopige Bevindingen zijdens de Minister van Justitie is uitgebleven.
Bij brief van 30 augustus 2024 heeft de Ombudsman de Minister van Justitie en verzoekster uitgenodigd voor een hoorzitting die op 9 oktober 2024 om 15:00 uur ten kantore van de Ombudsman zou plaatsvinden.
Bij e-mail van 3 oktober 2024 heeft een medewerker van het Ministerie van Justitie, namens de Minister van Justitie, de Ombudsman geïnformeerd dat de Minister niet op de hoorzitting aanwezig zal zijn omdat inmiddels een ambtelijk advies is opgesteld met betrekking tot het geval van verzoekster.
Naar aanleiding van de e-mail van 3 oktober 2024 heeft de Ombudsman, na telefonisch contact met verzoekster, de Minister van Justitie per e-mail van 7 oktober 2024 geïnformeerd dat de hoorzitting niet zal doorgaan en dat, indien er op uiterlijk 15 november 2024 geen beslissing is genomen op het verzoek van 31 mei 2019 van verzoekster, het rapport in deze zaak zal worden uitgebracht. Sindsdien heeft de Minister van Justitie niet meer gereageerd.
De bevindingen
De voor de beoordeling van dit verzoek relevante bevindingen kunnen, kort samengevat, als volgt worden weergegeven.
Verzoekster is de weduwe van wijlen de heer S. De heer S. was als ambtenaar werkzaam bij het Korps Politie Curaçao . De laatste functie die hij bekleedde in overheidsdienst voor zijn vervroegde uitdiensttreding, was Medewerker Wijkteam in de rang van Brigadier.
Bij brief van 6 maart 2017 (nummer kc-172/02/2017) heeft de Korpschef van het KPC de Minister van Justitie voorgesteld om de heer S. per 1 januari 2003 te bevorderen tot hoofdagent. Deze bevordering zou een persoonsgebonden bevordering zijn.
Het verzoek werd voor advies naar de Ministeriële Staf van het Ministerie van Justitie doorgestuurd. De Ministeriële Staf heeft de Minister van Justitie voorgesteld om akkoord te gaan met de verzochte bevordering.
Het verzoek tot bevordering van de heer S., met de bijbehorende documenten, is vervolgens ter nadere advisering doorgestuurd naar de Beleidsorganisatie Human Resources & Organisatie . HRO heeft een negatief advies uitgebracht omdat kennelijk geen documenten waren overgelegd waaruit bleek dat er tussen 5 oktober 2006 en 6 maart 2017 een verzoek tot bevordering was ingediend door de heer S. of door het KPC. HRO gaf verder aan dat zelfs indien er een bevorderingsverzoek zou zijn ingediend ten behoeve van de heer S., deze inmiddels was verjaard. In dit kader verwees HRO naar de verjaringstermijn van artikel 114 van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht.
Bij brief van 31 oktober 2018 (nummer 2017/009310) heeft de Korpschef van het KPC de heer S. geïnformeerd dat zijn bevorderingsverzoek was afgewezen.
Volgens de heer S. is de afwijzing van zijn bevorderingsverzoek onterecht. Zijn bezwaren tegen deze afwijzing heeft de heer S. bij brief van 31 mei 2019 aan de Minister van Justitie kenbaar gemaakt. De heer S. heeft de Minister van Justitie in zijn brief verzocht om herziening van de beslissing van 31 oktober 2018.
De heer S. gaf in zijn brief verder aan dat hij zijn bevorderingsverzoek nooit zelf schriftelijk had ingediend en dus ook geen documenten had overgelegd. Hij heeft diverse gesprekken gehad met zijn leidinggevenden inzake zijn bevordering en bij brief van 6 maart 2017 heeft de Korpschef van het KPC het bevorderingsverzoek schriftelijk vastgelegd. Dat het KPC aan het bevorderingsverzoek geen documenten ten grondslag heeft gelegd, kan volgens de heer S. niet aan hem worden verweten. Volgens de heer S. schendt de Minister van Justitie het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel door zijn bevorderingsverzoek af te wijzen.
Verzoekster heeft door de jaren heen diverse keren geïnformeerd naar de stand van zaken met betrekking tot het herzieningsverzoek van 31 mei 2019 van de heer S. Op grond van de beschikbare documenten kan worden geconcludeerd dat de Minister van Justitie tot op heden niet heeft gereageerd op dit verzoek.
Beoordeling
De Ombudsman stelt allereerst vast dat de Minister van Justitie – meer dan vijf jaar en zes maanden na de indiening van dit verzoek – nog geen beslissing heeft genomen op het verzoek van 31 mei 2019. Deze nog steeds lopende beslistermijn is niet redelijk en is daarom in strijd met het beginsel dat de overheid de benodigde voortvarendheid dient te betrachten bij haar besluitvorming.
In het verlengde van het voorgaande wordt voor de volledigheid opgemerkt dat het niet meteen duidelijk is op welke wijze (bedoeld om rechtsgevolgen te hebben of louter informatief van aard) de brief van 31 oktober 2018 van de Korpschef door partijen is gekwalificeerd. Uit de beschikbare stukken is in ieder geval duidelijk geworden dat de heer S. geen bezwaarschrift heeft ingediend bij het Gerecht in Ambtenarenzaken . De Minister van Justitie heeft de brief van 31 mei 2019, waarin de heer S. zijn ongenoegen uitte, ook niet doorgestuurd naar het GAZ om daar als bezwaar te worden behandeld. De conclusie is dan ook dat de Minister van Justitie de brief van 31 mei 2019 heeft aangemerkt als een brief waarop door het bevoegde bestuursorgaan zelf een reactie diende te worden gegeven. Het feit dat de Minister van Justitie nog steeds niet heeft gereageerd op de brief van 31 mei 2019, kan in dit kader niet worden gevolgd en kan bovendien worden beschouwd als strijdig met het beginsel dat de burger op fatsoenlijke wijze dient te worden bejegend.
Tot slot is het ook van belang om op te merken dat uit de beschikbare documenten niet blijkt dat de overheid, als voormalig werkgever van de heer S., met hem heeft gesproken of hem heeft benaderd om nadere informatie te verkrijgen vóór zijn overlijden. De Ombudsman merkt in dit verband op dat het vanzelfsprekend is dat de overheid zich kan beroepen op formele beoordelingsgronden, zoals kennelijk geadviseerd door HRO (zie paragraaf 2.5 van dit rapport), maar dat dit niet mag leiden tot een al te formalistische houding, waarbij de menselijke maat wordt vergeten. Het is daarom van belang dat bij de behandeling van de zaak van de heer S., waar mogelijk, ook contact wordt opgenomen met verzoekster om te waarborgen dat alle aspecten en informatie zijn meegenomen bij het opstellen van de reactie en dat het uiteindelijke besluit van de overheid ook deugdelijk is. De overheid moet immers niet alleen het beginsel van goede voorbereiding naleven, maar ook open en duidelijk zijn in haar handelen.
Oordeel
Op grond van het voorgaande is het uitblijven van een reactie op het verzoek van 31 mei 2019 van de heer S. niet behoorlijk. Het verzoek is dus gegrond.
Aanbevelingen
I. De Ombudsman geeft de Minister van Justitie in overweging om ervoor zorg te dragen dat alsnog een beslissing wordt genomen op het verzoek van 31 mei 2019. De Ombudsman is van oordeel dat - mede gelet op het feit dat de behandeling van de onderhavige zaak zich in een vergevorderd stadium bevindt - een termijn van vier weken na dagtekening van dit rapport een redelijke termijn is om deze zaak af te ronden.
II. De Ombudsman geeft de Minister van Justitie verder in overweging om aan medewerkers van uitvoeringsorganisaties en andere instanties die onder zijn verantwoordelijkheid vallen, de verplichting op te leggen om burgers (waaronder ook overheidsmedewerkers) goed te informeren over hun lopende zaken.
Willemstad, 26 november 2024
De Ombudsman van Curaçao,
K.R. Concincion