Uitblijven beslissing op verlofaanvraag en herstel verstoorde arbeidsrelatie bij UO Brandweer – Minister van Justitie
Op 17 juli 2023 heeft verzoeker de Ombudsman van Curaçao verzocht om de behoorlijkheid te onderzoeken van gedragingen die aan de Minister van Justitie kunnen worden toegerekend. Kort samengevat klaagt verzoeker erover dat hij zou zijn benadeeld doordat Uitvoeringsorganisatie Brandweer Curaçao tot op heden geen beslissing zou hebben genomen op een door hem op 8 juli 2022, conform de geldende procedures, ingediende verlofaanvraag. Verzoeker stelt verder dat de werkrelatie tussen hem en de leiding van UO Brandweer al geruime tijd is verstoord, maar dat UO Brandweer tot op heden nalaat om passende maatregelen te nemen om de ontstane situatie op te lossen.
Bij brief van 18 augustus 2023 heeft de Ombudsman het verzoekschrift van 17 juli 2023 aan de Minister van Justitie doen toekomen voor een inhoudelijke reactie. Op deze brief heeft de Minister van Justitie niet gereageerd.
Bij e-mail van 23 augustus 2023 is het geval van verzoeker voorgelegd aan het Ministerie van Justitie, met het doel om (ook) voor dit geval een praktische oplossing te kunnen vinden. Op deze e-mail (en dus op het geval van verzoeker) heeft de Ombudsman nog geen inhoudelijke terugkoppeling ontvangen.
De Voorlopige Bevindingen in deze zaak zijn op 17 november 2023 uitgebracht. De Minister van Justitie en verzoeker werden in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de Voorlopige Bevindingen. Noch de Minister van Justitie, noch verzoeker heeft gereageerd op de Voorlopige Bevindingen.
Bij e-mail van 15 december 2023 heeft (een medewerker van) het Ministerie van Justitie de Ombudsman – kort samengevat – verzocht om de behandeling van het verzoek tot uiterlijk 15 januari 2024 aan te houden, ten einde de Minister van Justitie in de gelegenheid te stellen om (in de eerste lijn) de klachten van verzoek af te handelen. De Ombudsman heeft dit verzoek ingewilligd.
Op 23 januari 2024 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman telefonisch contact gehad met (de hierboven genoemde medewerker van) het Ministerie van Justitie om te informeren naar de status van de behandeling van de klachten door het ministerie. De Ombudsman is geïnformeerd dat het Ministerie van Justitie – gezien de aard van deze zaak – meer tijd nodig heeft en naar verwachting in de tweede week van februari 2024 de Ombudsman nader kan berichten.
Tijdens een gesprek bij het Ministerie van Justitie op 23 februari 2024 heeft de Ombudsman (de medewerker van) het Ministerie van Justitie wederom herinnerd aan het verzoek van verzoeker.
Op 5 april 2024 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman telefonisch contact gehad met een medewerker van het Ministerie van Justitie. Omdat deze medewerker in gesprek was, heeft zij aangegeven dat zij (de medewerker van het Bureau van) de Ombudsman terug zal bellen.
Op 22 april 2024 en 24 april 2024 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman telefonisch contact opgenomen met het Ministerie van Justitie, maar er werd niet opgenomen.
Tijdens telefonisch contact met een medewerker van het Ministerie van Justitie op 6 mei 2024 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman vernomen dat het Ministerie van Justitie bezig is met de afronding van deze zaak. Naar verwachting zou de afronding ongeveer nog twee weken duren.
Op 27 mei 2024 en 28 mei 2024 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman telefonisch contact opgenomen met het Ministerie van Justitie, maar er werd niet opgenomen.
Bij e-mail van 29 mei 2024 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman het Ministerie van Justitie verzocht om hem te informeren over de status van de behandeling van de klachten van verzoeker. Tot op heden is een reactie op deze e-mail uitgebleven.
De bevindingen
De voor de beoordeling van dit verzoek relevante bevindingen kunnen, kort samengevat, als volgt worden weergegeven.
Verzoeker is als ambtenaar werkzaam bij UO Brandweer en heeft diverse werkzaamheden uitgevoerd bij deze organisatie. Op grond van de thans beschikbare informatie kan in ieder geval worden aangenomen dat verzoeker formeel is benoemd in de functie van Medewerker Monodisciplinaire Preparatie bij UO Brandweer, maar daarnaast dan wel in de plaats van deze functie een nieuwe taakindeling heeft gekregen.
Bij landsbesluit van 25 augustus 2020 is aan verzoeker de disciplinaire straf van schriftelijke berisping opgelegd. Deze disciplinaire straf is door het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao bij uitspraak van 20 juni 2022 vernietigd.
Bij landsbesluit van 2 november 2020 is aan verzoeker de disciplinaire straf van geldboete opgelegd. Deze disciplinaire straf is bij uitspraak van 20 juni 2022 van het GAZ vernietigd.
Op 11 maart 2020 heeft verzoeker een klacht ingediend bij de Minister van Justitie over de Commandant van UO Brandweer . Op 11 oktober 2021 heeft verzoeker de Minister van Justitie herinnerd aan zijn klacht. Op deze klacht heeft verzoeker tot op heden geen schriftelijke reactie ontvangen.
Bij brief van 29 januari 2021 is het verzoek van verzoeker van 7 oktober 2020 om toelating tot de opleiding Officier van Dienst [AHBM] door de Commandant afgewezen.
Na de afwijzing van 29 januari 2021 heeft vakbond Algemene Bond van Overheids- & Overige Personeel bij brief van 19 februari 2021 ten behoeve van verzoeker de Commandant verzocht om verzoeker alsnog toe te laten tot de opleiding Officier van Dienst [AHBM]. Op grond van de beschikbare informatie is niet duidelijk of verzoeker is toegelaten tot de opleiding Officier van Dienst [AHBM].
ABVO heeft – zoals uit de beschikbare stukken blijkt – verschillende malen met het Ministerie van Justitie (Minister, Commandant UO Brandweer, Sectordirecteur Rechtshandhaving, Openbare Orde en Veiligheid) gecommuniceerd over rechtspositionele kwesties die verzoeker aangaan. Voor het onderhavige onderzoek is van belang de brief van 11 juli 2022 van ABVO, aan de Minister van Justitie, waarin wordt opgekomen tegen de weigering van verlofuren aan verzoeker door het managementteam van UO Brandweer. In de brief van 11 juli 2022 wordt het traject met betrekking tot de verlofaanvraag van verzoeker uitvoerig beschreven.
Op 16 januari 2023 heeft de stichting ARBO CONSULT een rapport uitgebracht met een analyse van en bevindingen inzake de werkrelatie tussen verzoeker en de leden van het managementteam van UO Brandweer.
Verzoeker heeft bij brief van 13 februari 2023 een klacht ingediend bij de Minister van Justitie over het managementteam van UO Brandweer. Deze brief heeft verzoeker ook aangemeld als een melding die betrekking heeft op een vermoeden van integriteitsbreuk op grond van artikel 86 van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht. Op deze brief heeft verzoeker tot op heden geen schriftelijke reactie ontvangen.
Bij brief van 25 april 2023 heeft de Sectordirecteur Rechtshandhaving, Openbare Orde en Veiligheid verzoeker geïnformeerd dat een verplicht mediationtraject bij Optima Curaçao zou plaatsvinden tussen verzoeker en leden van het managementteam van UO Brandweer. Uit de beschikbare stukken kan niet worden afgeleid of dit traject daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en wat het resultaat is dan wel de status is van dit mediationtraject.
Beoordeling
Verlofaanvraag van 8 juli 2022
In het onderhavige geval staat vast dat verzoeker op 8 juli 2022 een verlofaanvraag heeft ingediend bij de leiding van UO Brandweer, waarop tot op heden geen beslissing is genomen. Hoewel uit de door verzoeker overgelegde stukken niet blijkt dat een termijn is voorgeschreven waarbinnen een beslissing op zijn verlofaanvraag had moeten worden genomen, ligt het naar het oordeel van de Ombudsman voor de hand (mede gelet op de relatief eenvoudige aard van een verlofaanvraag) dat inmiddels, na bijna twee jaar, een redelijke beslistermijn is verstreken. Het beginsel dat de overheid met de nodige voortvarendheid handelt is in dit geval dan ook geschonden.
De Ombudsman merkt verder op dat uit de beschikbare informatie niet is gebleken om welke reden de verlofaanvraag van verzoeker niet in behandeling is genomen. Zowel een medewerker als de organisatie waar deze werkzaam is hebben er baat bij dat zo snel mogelijk een beslissing wordt genomen op relatief eenvoudige verzoeken. Indien bijvoorbeeld het voornemen bestond om de verlofaanvraag van verzoeker af te wijzen, dan had deze afwijzing, ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Regeling Vakantie en Vrijstelling van Dienst Ambtenaren wegens dringende redenen van dienstbelang geheel of gedeeltelijk moeten worden geweigerd bij gemotiveerde beschikking.
In het verlengde van het vorenstaande merkt de Ombudsman op dat het feit dat verzoeker geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verlofaanvraag, niet betekent dat de overheid inmiddels ontheven is van de verplichting om alsnog inhoudelijk te beslissen op deze aanvraag. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat het, mede gelet op het verstrijken van de tijd in deze zaak, denkbaar is dat er in het kader van een zorgvuldige voorbereiding en met inachtneming van de rechtszekerheid van verzoeker aanvullende overheidsbesluiten zullen moeten worden genomen om eventuele nadelen voor verzoeker zoveel mogelijk ongedaan te maken. In dit geval mag van de overheid op zijn minst een zekere mate van coulance worden verwacht.
Arbeidsrelatie
De Ombudsman stelt allereerst vast dat op grond van de thans beschikbare informatie als vaststaand kan worden aangenomen dat er sinds het jaar 2020 sprake is van ernstige onenigheid tussen verzoeker en het managementteam van UO Brandweer. Zoals blijkt uit randnummers 2.8 en 2.10 van dit rapport heeft het Ministerie van Justitie, in een poging om de verstoorde arbeidsrelatie tussen verzoeker en het managementteam van UO Brandweer te herstellen, twee externe deskundigen ingeschakeld. Het traject met deze externe deskundigen heeft echter niet het gewenste resultaat opgeleverd.
In het kader van het bovenstaande is het van belang om op te merken dat zowel van de ambtenaar als van de overheid (en haar ambtenaren in leidinggevende posities) mag worden verwacht dat zij zich inspannen om op grond van de beginselen van goed werknemerschap en goed werkgeverschap op een acceptabele manier met elkaar om te gaan. In dit verband is het van belang om aan te geven dat de Minister van Justitie gedurende het onderzoek bij de Ombudsman, de verwijten van verzoeker aan het adres van het managementteam van UO Brandweer geenszins heeft weersproken dan wel heeft ontkend. Dit, in combinatie met de inhoud van de brief c.q. het advies van ARBO d.d. 16 januari 2023, maakt het geheel aannemelijk dat het managementteam van UO Brandweer in de werkrelatie met verzoeker structureel op gebrekkige wijze met verzoeker heeft gecommuniceerd, hetgeen aanzienlijk heeft bijgedragen aan de momenteel verstoorde arbeidsrelatie.
Voor de volledigheid merkt de Ombudsman nog op dat de Minister van Justitie ook zelf heeft nagelaten om de brieven die verzoeker naar hem heeft gestuurd over de verstoorde arbeidsrelatie tussen verzoeker en het managementteam van UO Brandweer te erkennen en
te beantwoorden. Het feit dat het topmanagement van het Ministerie van Justitie verantwoordelijk is voor de dagelijkse aansturing van het personeel binnen dit ministerie maakt dit niet anders. Verzoeker valt immers als ambtenaar bij het Ministerie van Justitie onder de eindverantwoordelijkheid van de Minister van Justitie bij het verrichten van zijn ambtelijke taken.
Het conflict tussen verzoeker en het managementteam van UO Brandweer duurt inmiddels al vier jaar, en hoewel dit conflict bekend is bij de Minister van Justitie, is uit de beschikbare stukken niet gebleken dat de Minister van Justitie concrete stappen heeft genomen dan wel heeft doen nemen om specifiek de communicatie vanuit de leiding van UO Brandweer naar verzoeker toe te verbeteren. Het inmiddels (naar mag worden aangenomen) mislukte mediationtraject dat door het topmanagement van het Ministerie van Justitie is geïnitieerd maakt het vorenstaande niet anders, reeds omdat ook dit topmanagement – zoals uit de brief van ARBO blijkt – door de wijze waarop het gecommuniceerd heeft met alle betrokkenen in de praktijk, heeft bijgedragen aan de thans verstoorde arbeidsrelatie. Op grond van het voorgaande is de conclusie dan ook dat toen duidelijk werd dat het managementteam van UO Brandweer en het topmanagement van het Ministerie van Justitie het ontstane conflict tussen verzoeker en het managementteam van UO Brandweer niet konden oplossen, de Minister van Justitie had moeten ingrijpen maar dit niet heeft gedaan.
Oordeel
Op grond van het voorgaande zijn het uitblijven van een reactie op de verlofaanvraag van van 8 juli 2022 verzoeker en het uitblijven van concrete en passende stappen om de arbeidsrelatie tussen verzoeker en UO Brandweer te herstellen niet behoorlijk. Het verzoek is dus gegrond.
Aanbevelingen
De Ombudsman geeft de Minister van Justitie in overweging om binnen acht weken na dagtekening van dit rapport:
I. de leiding van UO Brandweer te instrueren om alsnog een (schriftelijke) beslissing te nemen op de verloofaanvraag van 8 juli 2022 van verzoeker;
II. de noodzakelijke maatregelen te (doen) nemen ter uitvoering van het advies van 16 januari 2023 van ARBO.
Willemstad, 20 juni 2024
De Ombudsman van Curaçao,
K.R. Concincion