Onvoldoende veilige speelplaats en naleving Landsverordening kinderopvang – school

Aangepast:

Verzoekster heeft de Ombudsman van Curaçao op 28 maart 2024 verzocht om onderzoek te doen naar de mogelijke schending van de rechten van haar zoon door (de leidsters van) de school . Volgens verzoekster hebben de schoolleiders op 19 januari 2024 onvoldoende toezicht gehouden op het kind, waardoor het kind is gevallen en letsel heeft opgelopen.

Bij brief van 23 mei 2024 heeft de Ombudsman het verzoekschrift van 28 maart 2024 aan de school doen toekomen voor een inhoudelijke reactie. Op deze brief heeft de school niet gereageerd.

Bij brief van 26 juni 2024 heeft de Ombudsman de school herinnerd aan zijn brief van 23 mei 2024.

Op 26 juni 2024 hebben twee medewerkers van het Bureau van de Ombudsman de school bezocht om de plaats waar het incident op 19 januari 2024 heeft plaatsgevonden te bezichtigen.

Bij e-mail van 12 juli 2024 heeft de Ombudsman een reactie van de school ontvangen.

De Voorlopige Bevindingen in deze zaak zijn op 26 augustus 2024 uitgebracht. Zowel verzoekster als de school zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Alleen verzoekster heeft op de Voorlopige Bevindingen gereageerd.

De bevindingen
De voor de beoordeling van dit verzoek relevante bevindingen kunnen, kort samengevat, als volgt worden weergegeven.

Het kind ging vanaf november 2022 tot aan de dag van het incident vijf dagen per week naar de school. Het kind werd gebruikelijk tussen 7.00 uur en 7.30 uur naar de school gebracht en werd na 16.30 uur opgehaald.

Zoals gebruikelijk speelden de kinderen op de middag van 19 januari 2024 buiten. Volgens de school gleed het kind op die dag met zijn hoofd vooruit van de glijbaan en kreeg hij daarvoor meerdere waarschuwingen van de toezichthoudende leidster en daarna een straf. Deze straf bestond uit een zogenaamde 'time-out', waarbij het kind een paar minuten stil moest zitten.

Na de hiervoor vermelde straf heeft het kind nog een kans gekregen om te gaan spelen. Het kind viel echter van de glijbaan en brak zijn arm op drie plaatsen. Verzoekster en de school verschillen van mening over de toedracht van het incident. De school geeft aan dat het incident te wijten is aan het feit dat het kind met zijn hoofd vooruit van de glijbaan gleed, terwijl het kind aangeeft dat hij door een ander kind is geduwd.

Na de val heeft de mevrouw R.W., hoofd van de school, verzoekster gebeld en haar geïnformeerd over de val en het kind gelijk naar de huisarts van het kind gebracht. Zowel de vader van het kind als verzoekster waren aanwezig bij het bezoek aan de huisarts.

Het kind werd door de huisarts naar het Curaçao Medical Center doorwezen om de botbreuk(en) nader te onderzoeken en te behandelen. Verzoekster heeft zelf het kind gelijk naar het CMC gebracht.

Op 17 februari 2024 vond op de school een overleg plaats tussen verzoekster, de partner van verzoekster (tevens vader van het kind), mevrouw W en een leidster van de school. Tijdens dit overleg werd zowel het incident als de mogelijke terugkeer van het kind naar school besproken. Volgens verzoekster kon de school niet duidelijk aangeven wat er precies op 19 januari 2024 is gebeurd. Verzoekster stelt in dit verband dat de school de camerabeelden die voor de nodige duidelijkheid zouden kunnen zorgen kan vrijgeven, maar dit weigert te doen.

Verzoekster stelt verder dat er bij de school nog onduidelijkheid bestaat over de verplichte verzekering die kinderdagverblijven moeten afsluiten voor (onder andere) dit soort incidenten.

Na het incident is het kind niet naar de school teruggekeerd en hij zit nu op een ander kinderdagverblijf.

Beoordeling
In het onderhavige geval staat vast dat het kind op school, tijdens schooluren, letsel in de vorm van gebroken botten heeft opgelopen. Zoals reeds vermeld in randnummer 2.3 van dit rapport verschillen de school en verzoekster van mening over de toedracht van het incident dat heeft geleid dit letsel, waarbij het voornamelijk gaat om de vraag of er voldoende toezicht is gehouden op het kind door de toezichthoudende leidster(s).

De Ombudsman stelt in het kader van het voorgaande voorop dat volgens vaste jurisprudentie op een school een bijzondere zorgplicht rust ten aanzien van de gezondheid en veiligheid van de leerlingen die aan haar zorg zijn toevertrouwd en onder haar toezicht staan. Deze bijzondere zorgplicht houdt in dat een school alle inspanningen moet verrichten die redelijkerwijze van haar kunnen worden gevergd om een veilig schoolklimaat te bieden. De zorgplicht is echter niet onbegrensd. De maatschappelijke zorgvuldigheid vereist niet dat op iedere leerling rechtstreeks toezicht wordt gehouden zodanig dat elke onregelmatigheid direct wordt opgemerkt en dat direct kan worden ingegrepen (zie in dit kader onder andere het arrest van het Gerechtshof van ’s-Hertogenbosch van 7 september 2000, ECLI:NL:GHSHE:2000:AA7344).

Gelet op de hierboven omschreven norm voor de zorgplicht van de school en op basis van de feiten die op dit moment bekend zijn, concludeert de Ombudsman dat niet op voorhand vaststaat dat de school onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend op het kind. Dit betekent echter niet dat de school geen enkel verwijt treft.

Ingevolge de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind vormen de belangen van het kind de eerste overweging bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen.

In het verlengde van het voorgaande concludeert de Ombudsman dat de school heeft nagelaten de nodige maatregelen te nemen om de gezondheid en veiligheid van het kind te waarborgen. De Ombudsman komt tot deze conclusie mede op basis van het feit dat onomstotelijk is vastgesteld dat de ernst van het letsel dat het kind heeft opgelopen, grotendeels te wijten is aan de aard van het materiaal dat de school gebruikt voor haar buitenruimtes. De school gebruikt namelijk een (verhoogde) betonnen vloer bij de ingang als speelplaats voor de kinderen.

In dit kader is ook van belang dat in Landsverordening kinderopvang Curaçao regels staan over – onder andere – de vereisten waaraan een speelplaats bij een kinderopvang moet voldoen. Zo bepaalt artikel 18, tweede lid, van de Landsverordening kinderopvang Curaçao dat het grondoppervlak van de buitenruimten van een materiaal dient te zijn dat geschikt is om als speelplaats voor de kinderen te dienen. Op grond van het zevende lid van artikel 18, dient de vloer verder egaal en slipvrij, veilig en hygiënisch te zijn.

Op de vloer van de buitenruimte van de school was ten tijde van het incident geen veiligheidsmat (ook valbeschermingsmat genoemd) aanwezig, hetgeen niet alleen in strijd is met het uitgangpunt dat alle maatregelen genomen moeten worden in het kader van het belang van het kind, maar ook in strijd is met de bepalingen van de Landsverordening kinderopvang Curaçao.

Ten slotte merkt de Ombudsman voor de volledigheid op dat het ongemotiveerde besluit van de school om de camerabeelden die meer duidelijkheid zouden kunnen verschaffen over het letsel van het kind niet met verzoekster te delen (of deze beelden ter inzage te leggen) niet zonder meer gevolgd kan worden. Uiteraard hebben burgers niet zomaar het recht om privé-camerabeelden op te vragen, maar verzoekster was een cliënt van de school en verwacht mag worden dat de school, in goed overleg en in alle redelijkheid, ook duidelijkheid wil verschaffen over het incident dat heeft geleid tot het letsel van het kind.
 

Oordeel
Op grond van het voorgaande is de Ombudsman van oordeel dat in beginsel niet is komen vast te staan dat de school toezicht heeft gehouden op het kind op een wijze die in strijd is met de belangen van het kind. Wel staat vast dat de school heeft gehandeld in strijd met de bepalingen (met name artikel 18) van de Landsverordening kinderopvang Curaçao. Het verzoek is derhalve gedeeltelijk gegrond.

Aanbevelingen
De Ombudsman geeft de school in overweging om:
I. binnen een termijn van twaalf weken na dagtekening van dit rapport een algehele evaluatie uit te voeren om vast te stellen in hoeverre zij aan de bepalingen van de Landsverordening kinderopvang Curaçao voldoet;
II. binnen vier weken na dagtekening van dit rapport maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat haar buitenruimten in overeenstemming zijn met de bepalingen van artikel 18 van de Landsverordening kinderopvang Curaçao.
 

Willemstad, 24 december 2024
 

De Ombudsman van Curaçao,
 

K.R. Concincion