Geen reactie op brieven aan Voogdijraad over minderjarigen – Minister van Justitie
Op 30 november 2018 heeft verzoekster de Ombudsman van Curaçao verzocht om de behoorlijkheid te onderzoeken van een gedraging die aan de Minister van Justitie kan worden toegerekend. Verzoekster stelt dat de Voogdijraad van Curaçao niet heeft gereageerd op haar brieven van 15 maart 2015 en juni 2018. Door niet te reageren op deze brieven zou de Voogdijraad, volgens verzoekster, in onvoldoende mate rekening hebben gehouden met de rechten van twee minderjarigen die zwaar (geestelijk en fysiek) werden mishandeld en dus onbehoorlijk hebben gehandeld. Verzoekster gaf verder aan dat zij ook wenst dat de Voogdijraad zijn excuses aanbiedt voor het gebrek aan voortvarendheid waarmee in deze zaak is opgetreden.
Bij brief van 21 juni 2019 heeft de Ombudsman de Minister van Justitie en verzoekster uitgenodigd voor een online hoorzitting die zou plaatsvinden op 26 juli 2019. De hoorzitting moest online plaatsvinden, aangezien verzoekster inmiddels in Nederland woonachtig is.
De Minister heeft op de dag waarop de hoorzitting zou plaatsvinden telefonisch om uitstel van deze hoorzitting verzocht. De Ombudsman heeft, bij wijze van uitzondering en na overleg met verzoekster, ingestemd met het verzoek van de Minister.
In het kader van het verleende uitstel is met de Minister afgesproken dat het Ministerie van Justitie uiterlijk 2 augustus 2019 schriftelijk zou reageren op het verzoek van 30 november 2018 van verzoekster. Een schriftelijke reactie van de Minister is op de overeengekomen datum uitgebleven.
Bij brief van 3 september 2019 heeft de Ombudsman de Minister wederom verzocht om schriftelijk te reageren op het door verzoekster op 30 november 2018 ingediende verzoek.
Namens de Minister heeft de waarnemend Sectordirecteur Jeugdbescherming, Executie en Resocialisatie bij e-mail van 9 september 2019 de Ombudsman verzocht om de voorheen geplande hoorzitting alsnog te laten plaatsvinden. Dit verzoek is door de Ombudsman afgewezen.
De Ombudsman verzocht de Minister wederom om een schriftelijke reactie, en om deze reactie verder uiterlijk 1 oktober 2019 in te dienen. De Minister heeft bij brief van 19 september 2019 gereageerd.
De Ombudsman heeft de reactie van de Minister via e-mail van 7 oktober 2019 aan verzoekster aangeboden voor een reactie. Verzoekster heeft bij e-mail van dezelfde dag gereageerd.
De Ombudsman heeft de Voorlopige Bevindingen in de onderhavige zaak op 5 augustus 2020 uitgebracht. Zowel verzoekster als de Minister zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te
reageren. Verzoekster heeft bij e-mail van 3 september 2020 gereageerd. Van de Minister is geen reactie ontvangen.
Verzoekster heeft sinds het geven van haar reactie op de Voorlopige Bevindingen, herhaaldelijk via e-mail en telefonisch gevraagd naar de status van het door haar ingediende verzoek. Verzoekster is op 14 mei 2021 medegedeeld dat een rapport zou worden uitgebracht ter afronding van haar verzoek. Sindsdien heeft verzoekster diverse malen via e-mail gevraagd naar de status van dit rapport. Uit de beschikbare stukken blijkt evenwel dat de e-mails van verzoekster onbeantwoord zijn gebleven.
De bevindingen
De voor de beoordeling van dit verzoek relevante bevindingen kunnen, kort samengevat, als volgt worden weergegeven.
Verzoekster is een zus van mevrouw D.C., die de biologische moeder is van de minderjarigen G.C. (geboren in Curaçao op 4 november 2010) en De.C. (geboren in Curaçao op 6 oktober 2014).
D.C. was vanwege diverse persoonlijke problemen (zoals drugsverslaving en relationeel geweld) niet in staat om op adequate wijze te zorgen voor haar minderjarige kinderen. G.C. is daarom op 17 maart 2011 door rechterlijke tussenkomst onder toezicht gesteld, terwijl D.C. op 25 november 2015 onder toezicht is gesteld. Deze ondertoezichtstellingen worden jaarlijks geëvalueerd.
Verzoekster heeft sinds de geboorte van de minderjarige kinderen, ook na de ondertoezichtstellingen, consistent bij de Voogdijraad en daarna de stichting Gezinsvoogdijinstelling Curaçao geklaagd over de wijze waarop de biologische moeder van de kinderen voor hen zorgde, op die momenten waarop de kinderen contact hadden met hun biologische moeder. Als bewijs dat haar zus niet voor de minderjarige kinderen kon zorgen, heeft verzoekster bijvoorbeeld brieven overgelegd waaruit blijkt dat verzoekster in de jaren 2014 en 2015 herhaaldelijk is gemachtigd om bepaalde handelingen te verrichten die D.C. zelf had moeten uitvoeren (zoals het ophalen van de kinderen van school en het bijwonen van ouderavonden op de school van de kinderen). Uit door verzoekster overgelegde verklaringen van buren en politieagenten bleek verder dat de minderjarigen in dezelfde periode lichamelijk en psychisch door D.C. en haar partner werden mishandeld.
Verzoekster stelt de hierboven omschreven situatie bij brief van 15 maart 2015 onder de aandacht van de Voogdijraad te hebben gebracht. Op deze brief heeft verzoekster geen reactie ontvangen.
In 2016 is verzoekster, mede op advies van de Voogdijraad en de stichting GVI, benoemd tot voogd van de minderjarige kinderen van D.C. D.C. is uit het ouderlijk gezag ontheven.
Verzoekster stelt in juni 2018, inmiddels vanuit Nederland, schriftelijk haar ongenoegen te hebben geuit over de handelwijze van de Voogdrijdaad en van de stichting GVI. Zij heeft in dit kader verder benadrukt welke gevolgen deze handelwijze heeft gehad voor de psychologische ontwikkeling van de minderjarige kinderen. Verzoekster heeft op deze brief geen reactie ontvangen.
De Minister heeft aangevoerd dat de brieven van verzoekster niet meer konden worden achterhaald in het archief (brief van 15 maart 2015) dan wel nimmer waren ontvangen (brief van juni 2018). De Minister stelt zich verder op het standpunt dat – ook al zijn de door verzoekster verstuurde brieven nimmer beantwoord – inhoudelijk geen sprake is van enig onbehoorlijk handelen door het Ministerie, mede gelet (kort samengevat) op de wettelijk voorgeschreven rol die de Voogdijraad en de stichting GVI in de praktijk hebben gespeeld bij de ondertoezichtstelling van de kinderen kort na hun desbetreffende geboortes.
Beoordeling
De Ombudsman stelt allereerst vast dat verzoekster ruim zes jaar en één maand heeft moeten wachten op het onderhavige rapport. Deze termijn is onredelijk lang en de zeer trage behandeling van dit verzoek, gekoppeld aan de relatief eenvoudige aard van de onderhavige materie, kan volledig aan de Ombudsman worden toegerekend. Verzoekster is in ieder geval niet op behoorlijke wijze behandeld door de Ombudsman in haar zoektocht naar bestuurlijke behoorlijkheid in een zaak die in essentie betrekking heeft op de bescherming van kinderrechten.
In het verlengde van het voorgaande wordt hierbij opgemerkt dat op grond van de beschikbare informatie niet op onomstotelijke wijze is komen vast te staan dat het Ministerie de brieven van 15 maart 2015 en juni 2018 inderdaad heeft ontvangen vóór de aanvang van de onderhavige procedure bij de Ombudsman. Zo zijn bijvoorbeeld geen ontvangstbevestigingen aangetroffen. Dit betekent uiteraard niet dat deze brieven niet zijn verstuurd. Vaststaat in elk geval dat deze brieven naderhand zijn ingebracht in de procedure bij de Ombudsman, en dat vanaf dat moment ervan uitgegaan mag worden dat het Ministerie op de hoogte was van de inhoud van deze brieven.
Aangenomen wordt evenwel dat de duur van de onderhavige procedure bij de Ombudsman, het uitblijven van een reactie van het Ministerie wellicht (ook) heeft beïnvloed. Immers, niet kan worden uitgesloten dat het Ministerie eerst het oordeel van de Ombudsman wilde afwachten alvorens een beslissing te nemen (hetzij het op grond van de bepalingen van de Landsverordening ombudsman hetzij op grond van de algemene behoorlijkheidsnorm dat alle burgers recht hebben op een voortvarende reactie op hun verzoeken aan de overheid).
De Ombudsman merkt tot slot op dat aangenomen wordt dat de Voogdijraad en de stichting GVI (inmiddels samengevoegd in de Uitvoeringsorganisatie Justitiële Zorg die vanaf 1 januari 2023 operationeel is) aandacht hadden voor het geval van de minderjarige kinderen. Dit blijkt uit het feit dat deze kinderen beiden binnen een jaar na hun geboorte door de rechter onder toezicht zijn gesteld. De stichting GVI en de Voogdijraad hebben hierbij een doorslaggevende rol gespeeld. De Ombudsman kan echter in het kader van dit onderzoek niet beoordelen of deze organisaties veel eerder (of anders) hadden moeten handelen op basis van de informatie die zij op dat moment hadden. De Ombudsman neemt hierbij in aanmerking dat de jarenlange procedures die uiteindelijk hebben geleid tot de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen en de benoeming van verzoekster tot hun voogd, door de rechter zijn afgehandeld. De rechter heeft de in deze procedures uitgebrachte adviezen en rapporten reeds beoordeeld en op basis daarvan meerdere beslissingen genomen. De Ombudsman kan, ook in het kader van de beoordeling van de behoorlijkheid van het handelen van deze organisaties jegens de burger, niet met terugwerkende kracht afdoen aan dit oordeel van de rechter.
Oordeel
Op grond van het voorgaande zal de Ombudsman geen oordeel uitspreken over het uitblijven van een inhoudelijke reactie van de Voogdijraad (en de stichting GVI) op de brieven van 15 maart 2015 en juni 2018 van verzoekster.
Aanbeveling
De Ombudsman geeft de Minister van Justitie in overweging om de brieven van verzoekster van 15 maart 2015 en juni 2018 alsnog te doen beantwoorden. In dit kader is het raadzaam om contact op te nemen met verzoekster alvorens deze brieven te beantwoorden.
Willemstad, 30 december 2024
De Ombudsman van Curaçao,
K.R. Concincion