Falta di reakshon riba kehonan tokante reevaluashon di funshon públiko den Kuerpo Polisial Kòrsou

Aangepast:

Mevrouw (naam), de heer (naam), de heer (naam), de heer (naam), de heer (naam) en de heer
(naam) , allen werkzaam in de functie van (functienaam) bij het Korps
Politie Curaçao, hebben op 17 september 2024 de Ombudsman van Curaçao verzocht een onderzoek in te stellen naar de behoorlijkheid van een gedraging
van de Minister van Justitie. Verzoekers stellen – kort samengevat – dat zij tot op heden geen
reactie van de Minister van Justitie hebben ontvangen op hun brief van 2 maart 2023, waarin
zij, door tussenkomst van de Korpschef van het Korps Politie Curaçao, hebben verzocht om
herbeschrijving en herwaardering van de functie van (functienaam). Het uitblijven van een
reactie van de Minister van Justitie op deze brief is volgens verzoekers niet behoorlijk.


1.2 Op 24 september 2024 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman, in het
kader van een interventie, per e-mail een digitale kopie van het verzoekschrift toegezonden
aan een medewerker van het Ministerie van Justitie, met het verzoek om informatie te
verstrekken over de stand van zaken in deze kwestie.


1.3 Bij e-mails van 15 oktober 2024 en 6 november 2024 heeft (een medewerker van het Bureau
van) de Ombudsman het Ministerie van Justitie herinnerd aan de e-mail van 24 september
2024.


1.4 Op 28 november 2024 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman, in overleg
met de in randnummer 1.2 genoemde medewerker van het Ministerie van Justitie, per e-mail
een digitale kopie van het verzoekschrift toegezonden aan een andere medewerker van het
Ministerie van Justitie, met het verzoek om informatie te verstrekken over de stand van zaken
in deze kwestie. Op dezelfde dag is de Ombudsman namens het Ministerie van Justitie
geïnformeerd dat intern contact wordt gezocht met het Korps Politie Curaçao en dat de Ombudsman op de hoogte zal worden gehouden van de ontwikkelingen.


1.5 Op 24 februari 2025 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman het
Ministerie van Justitie verzocht om informatie over de stand van zaken. Op dezelfde dag heeft
een medewerker van het Ministerie van Justitie de Ombudsman geïnformeerd dat er intern
nog geen reactie is ontvangen van het KPC.


1.6 Nadat was gebleken dat de interventie van de Ombudsman bij het Ministerie van Justitie geen
resultaat had opgeleverd, heeft de Ombudsman bij brief van 24 maart 2025 het verzoekschrift
van 17 september 2024 formeel aan de Minister van Justitie aangeboden, met het verzoek om
een inhoudelijke reactie. In dezelfde brief is de Minister van Justitie uitgenodigd voor een
hoorzitting op 24 april 2025. Op deze brief heeft de Minister van Justitie niet gereageerd.


1.7 Bij brief van 24 maart 2025 zijn verzoekers uitgenodigd voor de hoorzitting van 24 april 2025.


1.8 Bij e-mail van 11 april 2025 is namens de Minister van Justitie om uitstel verzocht van de
hoorzitting.

1.9 Bij e-mail van 16 april 2025 is dit uitstelverzoek aan verzoekers voorgelegd.


1.10 Bij e-mails van 22 en 23 april 2025 zijn verzoekers en de Minister van Justitie geïnformeerd
dat de hoorzitting van 24 april 2025 wordt verplaatst naar 22 mei 2025.


1.11 Op 22 mei 2025 heeft de hoorzitting plaatsgevonden. Aan deze hoorzitting hebben vijf van de
verzoekers en een vertegenwoordiger van de vakbond NAPB deelgenomen. De Minister van
Justitie is vertegenwoordigd door een lid van het managementteam van het KPC.


1.12 Tijdens de hoorzitting is met de Minister van Justitie afgesproken dat verzoekers uiterlijk op
19 juni 2025 een reactie zouden ontvangen op hun brief van 2 maart 2023, waarin zoveel
mogelijk de concrete stappen zouden worden uiteengezet die door de Minister van Justitie
zullen worden genomen.


1.13 Bij e-mail van 4 juni 2025 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman de
tijdens de hoorzitting gemaakte afspraken bevestigd.


1.14 Bij e-mail van 30 juni 2025 hebben verzoekers de Ombudsman geïnformeerd dat zij door de
vertegenwoordiger van de Minister van Justitie zijn benaderd met een verzoek om twee
weken uitstel voor de uitvoering van de tijdens de hoorzitting gemaakte afspraken. Verzoekers
hebben de Ombudsman bericht dat zij met dit verzoek akkoord zijn gegaan.


1.15 Bij e-mail van 14 augustus 2025 hebben verzoekers de Ombudsman geïnformeerd dat zij nog
steeds geen bericht van de Minister van Justitie hebben ontvangen.


1.16 De Voorlopige Bevindingen in deze zaak zijn op 15 oktober 2025 uitgebracht. Verzoekers en
de Minister van Justitie zijn in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten. Partijen
hebben niet gereageerd op de Voorlopige Bevindingen.

2. De bevindingen
De voor de beoordeling van dit verzoek relevante bevindingen kunnen, kort samengevat, als volgt
worden weergegeven.


2.1 Verzoekers zijn werkzaam in de functie van (functienaam) bij het KPC. Deze functie bestaat in
haar huidige vorm ten minste acht jaar binnen het KPC.


2.2 Bij brief van 2 maart 2023 hebben verzoekers de Minister van Justitie, door tussenkomst van
de Korpschef van het KPC, verzocht om herbeschrijving en herwaardering van de functie van
(functienaam).

2.3 Bij ongedateerde brief, door de Minister van Justitie ontvangen op 20 maart 2023, heeft de
vakbond NAPB de noodzaak benadrukt van herbeschrijving en herwaardering van de functie
van (functienaam) bij het KPC.


2.4 Tijdens de hoorzitting van 22 mei 2025 is vastgesteld dat (in ieder geval) een herbeschrijving
van de functie van (functienaam) bij het KPC dient plaats te vinden. Afgesproken werd dat de
Minister van Justitie dit uiterlijk op 19 juni 2025 schriftelijk jegens verzoekers zou vastleggen.
In deze vastlegging zou de Minister van Justitie tevens de concreet te nemen stappen
beschrijven, voorzien van een tijdlijn. Indien deze termijn onverhoopt niet zou worden
gehaald, zou de Ombudsman hierover worden geïnformeerd.


2.5 Na de hoorzitting heeft de Ombudsman geen schriftelijk bericht van de Minister van Justitie
of van het KPC ontvangen. Ook verzoekers hebben geen (nadere) schriftelijke reactie van de
Minister van Justitie of het KPC ontvangen.


3. Beoordeling
3.1 De Ombudsman merkt allereerst op dat hij het standpunt van zowel de Minister van Justitie
als verzoekers deelt dat, gelet op de bijzondere aard van het politiewerk, een deugdelijke
beschrijving en waardering van de binnen het KPC bestaande functies noodzakelijk is. Een
duidelijke en juiste functiebeschrijving voorkomt onnodige verwarring en onzekerheid bij
de uitvoering van politietaken.


3.2 In het verlengde van het voorgaande onderkent de Ombudsman dat een proces van
herbeschrijving en herwaardering van functies, met name indien dit een algeheel
organisatorisch proces betreft, in beginsel complex kan zijn en tijd vergt. Dit neemt echter
niet weg dat het voor de overheid als werkgever van belang is zich in te spannen om haar
werknemers tijdig de verzochte duidelijkheid te verschaffen. Daarmee kunnen
(rechts)onzekerheid en het gevoel van ongelijke behandeling onder medewerkers worden
voorkomen.


3.3 De Ombudsman stelt vast dat verzoekers, bijna drie jaar na indiening van hun verzoek van
2 maart 2023, nog steeds geen schriftelijke reactie hebben ontvangen. Deze langdurige en
nog steeds voortdurende beslistermijn is niet redelijk en daarmee in strijd met de norm dat
de overheid bij haar besluitvorming de vereiste voortvarendheid dient te betrachten.


3.4 Het in randnummer 3.3 vastgestelde onredelijk lange uitblijven van een schriftelijke reactie
wordt verder verzwaard doordat tijdens de hoorzitting is vastgesteld dat een
herbeschrijving van de functie van (functienaam) bij het KPC noodzakelijk is. Ondanks deze
vaststelling en de daaropvolgende concrete afspraak dat verzoekers hiervan uiterlijk op 19
juni 2025 een schriftelijke vastlegging van de Minister van Justitie zouden ontvangen, is een
dergelijke vastlegging uitgebleven. In deze vastlegging zou de Minister van Justitie,
overeenkomstig de behoorlijkheidsnorm dat de overheid transparant handelt, de concreet
te nemen stappen beschrijven en verzoekers voorzien van een tijdlijn. Door deze afspraak
niet na te komen heeft de Minister van Justitie niet alleen gehandeld in strijd met deze
norm, maar ook met de behoorlijkheidsnorm die inhoudt dat de overheid betrouwbaar
dient te handelen. Het niet naleven van gemaakte afspraken doet afbreuk aan het
vertrouwen dat burgers, in dit geval werknemers, in de overheid behoren te kunnen stellen.


4. Oordeel
Op grond van het voorgaande is het uitblijven van een reactie van de Minister van Justitie op het
verzoek van 2 maart 2023 van verzoekers om herbeschrijving en herwaardering van de functie van
(functienaam) niet behoorlijk. Het verzoek is dus gegrond.


5. Aanbeveling
De Ombudsman geeft de Minister van Justitie in overweging om alsnog, en met inachtneming van de
tijdens de hoorzitting gemaakte afspraken, schriftelijk te reageren op het verzoek van verzoekers,
gedateerd 2 maart 2023, om herbeschrijving en herwaardering van de functie van (functienaam). De
Ombudsman acht een termijn van uiterlijk twaalf weken na dagtekening van dit rapport redelijk om
deze zaak af te ronden.


Willemstad, 17 december 2025


De Ombudsman van Curaçao,


K.R. Concincion