Falta di reakshon di Minister di Finansa riba kehonan di un èks-funshonario públiko

Aangepast:

Verzoeker heeft de Ombudsman van Curaçao op 18 februari 2025
verzocht om de behoorlijkheid te onderzoeken van een gedraging van de Minister van
Financiën. Verzoeker stelt – kort samengevat – dat hij nog geen reactie heeft ontvangen op zijn
brief van 12 oktober 2022, die bij de overheid is geregistreerd onder povonummer 2018/(nr).
In die brief verzoekt verzoeker de Minister van Financiën om de toelage die hij in de periode
van 2005 tot en met 2010 ontving, toen hij in actieve dienst was, met terugwerkende kracht te
laten incorporeren in zijn basissalaris. Volgens verzoeker is het uitblijven van een reactie op zijn
verzoek niet behoorlijk.


1.2 Bij brief van 2 april 2025 heeft de Ombudsman het verzoek van verzoeker aan de Minister van
Financiën aangeboden en hem verzocht om een inhoudelijke reactie.


1.3 Bij brief van 30 april 2025 heeft de Minister van Financiën gereageerd op de brief van
2 april 2025.


1.4 De Voorlopige Bevindingen in deze zaak zijn op 4 juni 2025 uitgebracht en op 5 juni 2025
toegezonden aan verzoeker en aan de Minister van Financiën. Zowel verzoeker als de Minister
van Financiën zijn in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten.


1.5 Verzoeker heeft bij e-mail van 5 juni 2025 op de Voorlopige Bevindingen gereageerd. De
Minister van Financiën heeft niet gereageerd op de Voorlopige Bevindingen.


1.6 Bij landsbesluit van 19 augustus 2025 (P.B. 2025, no. 129) is de portefeuilleverdeling binnen
het huidige kabinet gewijzigd, waardoor de Landsloterij Nederlandse Antillen inmiddels onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Onderwijs,
Wetenschap, Cultuur en Sport is komen te vallen. Daarmee is
voor deze minister een rol weggelegd bij het beantwoorden van de brief van 12 oktober 2022.
De Ombudsman heeft de minister daarom op 4 november 2025 om een reactie verzocht. Op
deze brief heeft de Minister van OWCS nog niet gereageerd.

2. De bevindingen
De voor de beoordeling van dit verzoek relevante bevindingen kunnen, kort samengevat, als volgt
worden weergegeven.


2.1 Verzoeker is in de periode van 1 mei 2005 tot en met 1 december 2010 als ambtenaar
werkzaam geweest in de functie van (functienaam) van de Landsloterij. De Landsloterij viel in
die periode onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën.


2.2 Bij brief van 29 december 2006 heeft verzoeker de Minister van Bestuurlijke en Constitutionele
Zaken verzocht om hem een toelage van 25% op zijn maandelijkse salaris toe te kennen en om
de functie van (functienaam) van de Landsloterij te herbeschrijven en te herwaarderen.


2.3 Sinds 20 februari 2011 ontvangt verzoeker een ouderdomspensioen van het Algemeen
Pensioenfonds van Curaçao.


2.4 Bij brief van 13 april 2018 heeft verzoeker de Minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening
verzocht om een gesprek in verband met zijn
pensioenberekening.


2.5 Bij brief van 28 juli 2021 heeft verzoeker de Minister van BPD – kort samengevat – verzocht om
de door hem genoten toelage te (laten) incorporeren in zijn laatst genoten bezoldiging, zodat
zijn pensioen kon worden herberekend.


2.6 Bij brief van 12 oktober 2022 heeft verzoeker de Minister van Financiën verzocht om de toelage
die hij in de periode van 2005 tot en met 2010 ontving, met terugwerkende kracht te (laten)
incorporeren in zijn basissalaris.


2.7 In zijn reactie van 30 april 2025 aan de Ombudsman stelt de Minister van Financiën (kort
samengevat) dat het verzoek van 12 oktober 2022 van verzoeker niet met de vereiste
voortvarendheid is behandeld, maar dat dit verzoek inmiddels niet meer inhoudelijk kan
worden afgehandeld. Volgens de Minister van Financiën heeft verzoeker geen gebruik gemaakt
van de mogelijkheid om ingevolge de Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 bezwaar in te stellen bij het Gerecht in Ambtenarenzaken tegen het
uitblijven van een beslissing op zijn verzoek, terwijl de daarvoor geldende termijn inmiddels is
verstreken.


2.8 De Minister van Financiën concludeert dat het, gelet op het rechtszekerheidsbeginsel en de
strekking van de toepasselijke wetgeving, onjuist en onwenselijk zou zijn om het verzoek van
12 oktober 2022 alsnog inhoudelijk te behandelen. Het verzoek zal daarom niet verder in
behandeling worden genomen. Verzoeker zal wel een brief ontvangen ter formalisering van het
ingenomen standpunt.


2.9 Uit de thans beschikbare informatie blijkt dat verzoeker nog geen reactie heeft ontvangen op
zijn verzoek van 12 oktober 2022.


3. Beoordeling
3.1 De Ombudsman stelt allereerst vast dat de Landsloterij ten tijde van het indienen van het
verzoek van 12 oktober 2022 onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën
viel. Per landsbesluit van 19 augustus 2025 (P.B. 2025, no. 129) is deze verantwoordelijkheid
overgegaan naar de Minister van OWCS. Deze wijziging betekent dat de beoordeling van het
uitblijven van een beslissing zowel de eerdere verantwoordelijkheid van de Minister van
Financiën als de huidige verantwoordelijkheid van de Minister van OWCS raakt. Het is aan de
overheid om vast te stellen welk bestuursorgaan in dit geval verantwoordelijk is voor het
beantwoorden van het verzoek van verzoeker, zodat hij een correct en formeel antwoord
ontvangt. Dit onderzoek dient plaats te vinden aan de hand van de geldende wet- en
regelgeving. Nader onderzoek hiernaar is van belang, ook indien de overheid van oordeel zou
zijn dat het verzoek niet inhoudelijk kan worden ingewilligd. Duidelijkheid over het bevoegde
gezag draagt immers bij aan een zorgvuldige behandeling en aan het waarborgen van de
rechtspositie van verzoeker.


3.2 De Ombudsman stelt vervolgens vast dat verzoeker – na meer dan drie jaar – nog steeds
geen schriftelijke beslissing heeft ontvangen op zijn verzoek van 12 oktober 2022. Deze
langdurige beslistermijn is niet redelijk en daarom in strijd met de norm dat de overheid de
benodigde voortvarendheid dient te betrachten bij haar besluitvorming.


3.3 De Ombudsman merkt verder op dat het feit dat verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van
de mogelijkheid om bezwaar in te stellen bij het GAz tegen het uitblijven van een beslissing
op zijn verzoek van 12 oktober 2022, de overheid niet ontslaat van haar plicht om een
(inhoudelijke) beslissing te nemen op het verzoek. Het rechtszekerheidsbeginsel houdt
namelijk ook in dat een bestuursorgaan geen misverstand mag laten (voort)bestaan over de
rechten en plichten van een burger die voortvloeien uit rechtshandelingen. Het voorgaande
volgt zowel uit vaste jurisprudentie als uit de literatuur.


3.4 Ook indien de overheid van oordeel is dat het verzoek van verzoeker van 12 oktober 2022 niet
kan worden ingewilligd, moet zij op dit verzoek schriftelijk beslissen. Een afwijzing van een
verzoek kan een beslissing opleveren die, afhankelijk van de omstandigheden van het geval,
aan de rechter kan worden voorgelegd. Op die manier wordt gewaarborgd dat verzoeker,
indien hij dat wenst, rechtsbescherming kan inroepen.


3.5 Tot slot merkt de Ombudsman op dat uit de beschikbare documenten niet blijkt dat de
overheid als (voormalige) werkgever van verzoeker met hem heeft gesproken of hem heeft
benaderd om desgewenst nadere informatie te verkrijgen. Zoals de Ombudsman reeds
eerder in zijn rapport van 13 december 2024 (dossiernummer 20220774) heeft opgemerkt,
mag de beoordeling door de overheid niet leiden tot een al te formalistische en
bureaucratische houding waarbij de menselijke maat uit het oog wordt verloren. Het is
daarom van belang dat bij de behandeling van deze zaak, waar mogelijk, contact wordt
opgenomen met verzoeker om te waarborgen dat alle relevante aspecten en informatie in
acht zijn genomen en dat het uiteindelijke besluit deugdelijk is. De overheid moet immers
niet alleen de norm van goede voorbereiding naleven, maar ook open en duidelijk zijn in haar
handelen.


4. Oordeel
Op grond van het voorgaande is het uitblijven van een reactie op de brief van verzoeker van
12 oktober 2022 niet behoorlijk. Het verzoek is dus gegrond.


5. Aanbeveling
De Ombudsman geeft de Minister van OWCS in overweging om, na overleg met de Minister van
Financiën, binnen acht weken na dagtekening van dit rapport alsnog een beslissing te (laten) nemen op
het verzoek van 12 oktober 2022 van verzoeker.


Willemstad, 9 december 2025


De Ombudsman van Curaçao,


K.R. Concincion