Falta di reakshon riba kehonan di un èks-polis dor di Minister di Hustisia

Adaptá riba:

Op 12 november 2024 heeft verzoeker de Ombudsman verzocht onderzoek te doen naar de
behoorlijkheid van een gedraging van de Minister van Justitie. Verzoeker stelt – kort
samengevat – dat hij tot op heden geen reactie heeft ontvangen op de brief van 22 december
2023, die namens hem door een deurwaarder naar de Minister van Justitie is verzonden en
waarin de Minister van Justitie wordt herinnerd aan de uitvoering van de uitspraak van het
Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao van 23 mei 2022 (zaaknummer nr.). Volgens
verzoeker is het uitblijven van een reactie van de Minister van Justitie ten aanzien van de
uitvoering van deze uitspraak niet behoorlijk.


1.2 Op 17 december 2024 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman, in het
kader van een interventie, per e-mail een digitale kopie van het verzoekschrift toegezonden
aan een medewerker van het Ministerie van Justitie met het verzoek om te reageren.


1.3 Bij e-mail van dezelfde dag heeft de medewerker van het Ministerie van Justitie de ontvangst
bevestigd.


1.4 Bij e-mail van 7 mei 2025 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman de
hierboven genoemde medewerker van het Ministerie van Justitie herinnerd aan de e-mail van
17 december 2024.


1.5 Toen duidelijk werd dat de interventie van de Ombudsman bij het Ministerie van Justitie niet
succesvol was geweest, heeft de Ombudsman bij brief van 23 juni 2025, briefnummer
0357/2025, het verzoekschrift van 12 november 2024 formeel aan de Minister van Justitie
aangeboden, met het verzoek om hierop uiterlijk 23 juli 2025 te reageren. In dezelfde brief is
de Minister van Justitie uitgenodigd voor een hoorzitting die op 31 juli 2025 zou plaatsvinden.


1.6 Bij brief van 23 juni 2025, briefnummer 0378/2025, is verzoeker uitgenodigd voor de
hoorzitting van 31 juli 2025.


1.7 Bij e-mail van 18 juli 2025 is namens de Minister van Justitie om uitstel van de reactietermijn
met een maand verzocht.


1.8 Bij e-mail van 22 juli 2025 is het uitstelverzoek van de Minister van Justitie om op het
verzoekschrift te reageren ingewilligd. Verzoeker is geïnformeerd over deze beslissing.


1.9 In het verlengde van de beslissing genoemd in randnummer 1.8 is naderhand ook de geplande
hoorzitting uitgesteld.


1.10 De nieuwe datum voor de hoorzitting is vastgesteld op 1 oktober 2025. Van deze beslissing is
de Minister van Justitie bij e-mail van 4 september 2025 geïnformeerd. Verzoeker is zowel
telefonisch als per e-mail op 5 september 2025 geïnformeerd over de nieuwe datum van de
hoorzitting.


1.11 Bij e-mail van 30 september 2025 is namens de Minister van Justitie opnieuw verzocht om
uitstel van de hoorzitting. Als reden is aangevoerd dat uitsluitend medewerkers van het Korps
Politie Curaçao tijdens de hoorzitting inhoudelijke informatie zouden kunnen verstrekken en
dat deze medewerkers op dat moment dienden deel te nemen aan een andere activiteit.


1.12 Bij e-mail van 1 oktober 2025 heeft een medewerker van het Bureau van de Ombudsman het
Ministerie van Justitie verzocht een vertegenwoordiger uit de Ministeriële Staf van het
Ministerie van Justitie te laten deelnemen aan de hoorzitting. Het Ministerie van Justitie heeft
de Ombudsman per e-mail van diezelfde datum geïnformeerd dat dit niet mogelijk was.


1.13 Bij e-mail van 2 oktober 2025 heeft een medewerker van het Bureau van de Ombudsman het
Ministerie van Justitie verzocht de beschikbaarheidsdata voor november 2025 door te geven,
teneinde een nieuwe datum voor de hoorzitting te kunnen vaststellen.


1.14 Bij e-mail van 8 oktober 2025 is namens het Ministerie van Justitie de ontvangst van de e-mail
van 2 oktober 2025 bevestigd. Sindsdien is nadere berichtgeving van de zijde van het Ministerie
van Justitie uitgebleven.


1.15 De Voorlopige Bevindingen in deze zaak zijn op 21 november 2025 uitgebracht en op 24
november 2025 aan verzoeker en de Minister van Justitie toegezonden. Partijen zijn in de
gelegenheid gesteld hierop te reageren. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.

2. De bevindingen
De voor de beoordeling van dit verzoek relevante bevindingen kunnen, kort samengevat, als volgt
worden weergegeven.


2.1 Verzoeker was als ambtenaar werkzaam bij het Korps Politie Curaçao.


2.2 Bij brief van 25 januari 2021 heeft verzoeker de Minister van Justitie verzocht om hem te
benoemen in de functie van (functienaam) dan wel Teamleider (functienaam), met de
bijbehorende bezoldigingsschaal 9P.


2.3 Bij uitspraak van 23 mei 2022 heeft het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao het bezwaar van verzoeker tegen de weigering van de Regering van Curaçao om te
beslissen op zijn verzoek van 25 januari 2021 gegrond verklaard en deze weigering nietig
verklaard. Bij diezelfde uitspraak is de Regering van Curaçao opgedragen om binnen twee
maanden een beslissing te nemen op het verzoek van 25 januari 2021 van verzoeker.


2.4 De Regering van Curaçao heeft geen uitvoering gegeven aan de uitspraak van het GAZ.


2.5 Bij vonnis van 1 september 2023, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, heeft het Gerecht in Eerste
Aanleg van Curaçao de openbare rechtspersoon het Land Curaçao bevolen
om binnen vier weken na de betekening van dit vonnis alsnog uitvoering te geven aan de
uitspraak van 23 mei 2022 van het GAZ. Aan dit vonnis heeft het GEA een dwangsom verbonden
voor het geval de openbare rechtspersoon het Land Curaçao het bevel niet zou opvolgen.


2.6 Bij brief van 22 december 2023 heeft de deurwaarder, namens verzoeker, de Minister van
Justitie herinnerd aan het vonnis van 1 september 2023.


2.7 Een reactie van de Minister van Justitie op de brief van 22 december 2023 is tot op heden
uitgebleven.


3. Beoordeling
3.1 De Ombudsman stelt allereerst vast dat verzoeker, ruim twee jaar na verzending van zijn brief
van 22 december 2023, nog steeds geen schriftelijke reactie van de Minister van Justitie heeft
ontvangen. Deze langdurige en nog steeds voortdurende beslistermijn is onredelijk lang en
daarmee in strijd met de norm dat de overheid bij haar besluitvorming de vereiste
voortvarendheid dient te betrachten. Het onredelijk lange uitblijven van een schriftelijke
reactie wordt temeer bezwaarlijk geacht nu de Minister van Justitie in ieder geval sinds
23 mei 2022 op de hoogte is van het verzoek van verzoeker van 25 januari 2021, waardoor
verzoeker in essentie al meer dan vier jaar in afwachting is van een inhoudelijke reactie.


3.2 De Ombudsman merkt voorts op dat uit de beschikbare documenten niet blijkt dat de
overheid als (voormalige) werkgever van verzoeker met hem in contact is getreden of hem
heeft benaderd om, indien nodig, nadere informatie te verkrijgen. Zoals de Ombudsman
eerder heeft opgemerkt in zijn rapporten van 13 december 2024 (dossiernummer 20220774)
en 9 december 2025 (dossiernummer 20250143), mag de beoordeling door de overheid niet
ontaarden in een al te formalistische en bureaucratische benadering waarbij de menselijke
maat uit het oog wordt verloren.


3.3 In dit verband wijst de Ombudsman erop dat van de overheid, mede gelet op haar rol als
(voormalige) werkgever, mag worden verwacht dat zij handelt overeenkomstig het beginsel
van goed werkgeverschap. Dit beginsel brengt onder meer met zich dat zij actief
communiceert, duidelijkheid verschaft over de rechtspositie van de betrokkene en zich
inspant om onzekerheid niet onnodig te laten voortduren. Het is daarom van belang dat bij
de behandeling van deze zaak, waar mogelijk, contact wordt opgenomen met verzoeker,
zodat kan worden gewaarborgd dat alle relevante aspecten en informatie in de
besluitvorming worden betrokken en dat het uiteindelijke besluit deugdelijk wordt
voorbereid. Daarbij dient de overheid niet alleen te voldoen aan de norm van zorgvuldige
voorbereiding, maar ook open en duidelijk te handelen.


3.4 Tot slot merkt de Ombudsman op dat van de Minister van Justitie, in diens hoedanigheid van
(voormalig) werkgever en verantwoordelijke portefeuillehouder, mag worden verwacht dat
rechterlijke uitspraken en bevelen tijdig en volledig worden uitgevoerd en dat betrokkenen
daarover duidelijkheid wordt verschaft. Het gedurende langere tijd uitblijven van een
inhoudelijke reactie op een rechtspositioneel verzoek, ook nadat de rechter de overheid
uitdrukkelijk heeft opgedragen om te beslissen, is niet in overeenstemming met hetgeen van
een behoorlijk handelende overheid en een goed werkgever mag worden verwacht. Dat de
overheid, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, verzoeker als voormalig
werknemer ondanks meerdere rechterlijke uitspraken en bevelen in voortdurende
onzekerheid laat over zijn rechtspositie, acht de Ombudsman zorgwekkend. Een dergelijke
handelwijze doet afbreuk aan het gezag van rechterlijke uitspraken en kan het vertrouwen
dat burgers en (voormalige) ambtenaren in de overheid mogen stellen ondermijnen.


4. Oordeel
Op grond van het voorgaande is het uitblijven van een reactie van de Minister van Justitie op de brief
van verzoeker van 22 december 2023 niet behoorlijk. Het verzoek is dus gegrond.


5. Aanbeveling
De Ombudsman geeft de Minister van Justitie in overweging om, rekening houdend met dit rapport,
binnen acht weken na dagtekening van dit rapport alsnog te reageren op de brief van
22 december 2023 van verzoeker.


Willemstad, 30 december 2025


De Ombudsman van Curaçao,


K.R. Concincion