Weigering van de Minister van BPD om de klachten van verzoeker over het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek tot rechtzetting van mogelijke fouten in de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren te beantwoorden

Aangepast:

Verzoeker heeft op 26 juni 2025 een verzoek ingediend bij de Ombudsman om onderzoek te doen naar de behoorlijkheid van een gedraging van de Minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening . Verzoeker stelt – kort samengevat – dat de Minister van BPD heeft geweigerd zijn klachten te beantwoorden over het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek tot rechtzetting van mogelijke fouten in de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren (P.B. 2013, no. 27 GT). Deze weigering heeft directe gevolgen voor de pensioenaanspraken van verzoeker.

  1. Bij brief van 9 juli 2025 (briefnummer 0412/2025) heeft de Ombudsman het verzoekschrift van verzoeker aan de Minister van BPD toegezonden met het verzoek om een inhoudelijke reactie. De Minister van BPD is daarbij tevens verzocht alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Op deze brief heeft de Minister van BPD niet gereageerd.

  1. Bij brieven van 26 augustus 2025 (briefnummer 0446/2025) en 24 september 2025 (briefnummer 0574/2025) heeft de Ombudsman de Minister van BPD herinnerd aan zijn brief van 9 juli 2025. Ook op deze rappelbrieven heeft de Minister van BPD niet gereageerd.

  1. De Voorlopige Bevindingen in deze zaak zijn op 18 februari 2026 uitgebracht. Zowel verzoeker als de Minister van BPD zijn daarbij in de gelegenheid gesteld om binnen de gestelde termijn schriftelijk te reageren op de inhoud van de bevindingen.

  1. Verzoeker heeft bij e-mail van 19 februari 2026 gereageerd op de Voorlopige Bevindingen. Noch binnen de gestelde termijn, noch daarna, is van de Minister van BPD een reactie op de Voorlopige Bevindingen ontvangen.

  1. De bevindingen

De voor de beoordeling van dit verzoek relevante bevindingen kunnen, kort samengevat, als volgt worden weergegeven.

  1. Verzoeker is in 1985 in dienst getreden bij het eilandgebied Curaçao. Sinds de oprichting van de overheidsstichting Overheidsaccountantsbureau van Curaçao was verzoeker (functienaam) van deze stichting. Verzoeker is in 2020 uit dienst gegaan. 

  1. Vanaf 1985 was de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren op verzoeker van toepassing ten aanzien van zijn pensioenaanspraken.

  1. De uitvoering van de pensioenregeling voor overheidspersoneel en daarmee gelijkgestelden in Curaçao is bij wet opgedragen aan het Algemeen Pensioenfonds van Curaçao . In het kader van deze taak is het APC onder meer belast met het innen van premies, het beheren van pensioengelden en het uitbetalen van pensioenen aan gewezen overheidsdienaren.

  1. Verzoeker heeft in navolging van zijn pensioenbericht, zoals uitgegeven door het APC en waarin stond vermeld dat hij met ingang van zijn zestigste levensjaar met pensioen kon gaan, een verzoek ingediend om zijn pensioen te mogen ontvangen met ingang van het bereiken van die leeftijd. Dit verzoek is door het APC afgewezen, kennelijk vanwege een leemte in de bestaande pensioenwetgeving. Verzoeker heeft tegen deze afwijzing geen rechtsmiddel aangewend. 

  1. Uit de beschikbare informatie blijkt dat het APC de Minister van BPD reeds op 5 november2020 heeft gewezen op de fout in de pensioenwetgeving en de Minister heeft verzocht deze fout te corrigeren.

  1. Op 21 september 2021 adviseerde de sectordirecteur Financieel Beleid en Begrotingsbeheer de Minister van Financiën om de desbetreffende pensioenregelgeving te corrigeren. In dit advies is een procedure voorgesteld die het mogelijk maakt dat het APC, vooruitlopend op de formele wetswijziging, alvast kan overgaan tot de feitelijke uitvoering en uitbetaling van pensioenen aan de gerechtigden.

  2. Verzoeker heeft op 20 juni 2023 de Minister van BPD schriftelijk verzocht om over te gaan tot een besluit om zijn pensioendatum te corrigeren. Op deze brief heeft de Minister van BPD tot op heden niet gereageerd. Verzoeker stelt dat hij daarna diverse malen en op verschillende manieren contact heeft opgenomen met de Minister van BPD om zijn klachten kenbaar te maken over de gevolgen van het uitblijven van de correctie van zijn pensioendatum, maar dat dit evenmin tot resultaat heeft geleid.

  3. Verzoeker heeft zich uiteindelijk op 26 juni 2025 tot de Ombudsman gewend naar aanleiding van de weigering van de Minister van BPD om zijn klachten te beantwoorden. 

3.            De Beoordeling

3.1          De Ombudsman stelt allereerst vast dat de Minister van BPD gedurende het gehele onderzoek geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om een standpunt in te nemen of verweer te voeren. Nu de Minister van BPD de feiten, zoals weergegeven in onderdeel 2 van dit rapport, niet heeft weersproken of ontkend, merkt de Ombudsman deze als vaststaand aan.

3.2          In het verlengde van het voorgaande merkt de Ombudsman op dat op de klachten van verzoeker, ruim zes jaar na de eerste signalering en bijna drie jaar na de brief van 20 juni 2023 van verzoeker, nog steeds geen beslissing is genomen. Het uitblijven van een beslissing is niet in overeenstemming met de behoorlijkheidsnorm van voortvarendheid, die inhoudt dat de overheid zo snel en slagvaardig mogelijk handelt bij het uitvoeren van haar taken. Wettelijke termijnen gelden daarbij als uiterste grenzen en worden, indien mogelijk, verkort. Wanneer geen wettelijke termijn geldt, handelt de overheid binnen een redelijke termijn die afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Als besluitvorming of uitvoering vertraging oploopt, informeert de overheid de burger tijdig, met een duidelijke uitleg over de reden en de concrete vervolgstappen. In dit verband is ook van belang dat de overheid al geruime tijd op de hoogte is van mogelijke oplossingsrichtingen en desalniettemin niet communiceert met verzoeker over een aangelegenheid die, naar mag worden aangenomen, meerdere personen in een vergelijkbare situatie raakt.

3.3          De Ombudsman is verder van oordeel dat de Minister van BPD door de klachten van verzoeker onbeantwoord te laten, in dit geval ook de behoorlijkheidsnorm van fatsoenlijke bejegening heeft geschonden. Deze norm houdt in dat burgers recht hebben op een respectvolle en hulpvaardige bejegening door de overheid. In de communicatie dient de overheid rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de burger en op te treden met empathie, waarbij burgers gelijkwaardig worden behandeld. De Ombudsman benadrukt dat, ongeacht de inhoudelijke complexiteit van de benodigde wetswijziging, de Minister van BPD gehouden is op de klachten van verzoeker te reageren. Het recht op klachtbehandeling staat immers in principe los van de uiteindelijke inhoudelijke besluitvorming en dient ter waarborging van de rechtszekerheid en een respectvolle bejegening van de burger.

4.            Oordeel

Op grond van het voorgaande is het uitblijven van een beslissing van de Minister van BPD op de klachten van verzoeker niet behoorlijk. Het verzoek is dus gegrond.

5.            Aanbeveling

De Ombudsman geeft de Minister van BPD in overweging om binnen een termijn van acht weken na dagtekening van dit rapport een gemotiveerde beslissing te nemen op de klachten van verzoeker.

Willemstad, 9 april 2026 

De Ombudsman van Curaçao,

K.R. Concincion