Uitblijven reactie van de Inspectie voor de Volksgezondheid op de klacht van verzoeker van 26 november 2024
Verzoeker heeft op 18 september 2025 een verzoek ingediend bij de Ombudsman tot onderzoek naar de behoorlijkheid van een gedraging die kan worden toegerekend aan de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur . Verzoeker stelt – kort samengevat – dat hij op 26 november 2024 een klacht heeft ingediend bij de Inspectie voor de Volksgezondheid , waarop hij tot op heden geen reactie of beslissing heeft ontvangen. Verzoeker stelt in zijn klacht bij de Inspectie in essentie dat de Inspecteur voor de Volksgezondheid heeft nagelaten handhavend op te treden tegen personen die zonder daartoe gerechtigd te zijn de wettelijk beschermde titel van bedrijfsarts voeren. Het uitblijven van een reactie van de Inspectie kan worden toegerekend aan de Minister van GMN.
Op 1 oktober 2025 heeft de Ombudsman het verzoek in het kader van een interventie aangeboden aan de Secretaris-generaal van het Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur .
Nadat was gebleken dat de Secretaris-generaal afwezig was, heeft de Ombudsman op diezelfde datum per e-mail contact opgenomen met een andere medewerker van het Ministerie van GMN. Op deze e-mail is niet gereageerd.
Op 21 oktober 2025 heeft de Secretaris-generaal de e-mail van 1 oktober 2025 beantwoord en de Ombudsman onder meer geïnformeerd dat de klacht over de Inspecteur zou zijn doorgeleid naar de Minister van GMN.
Op 10 november 2025 heeft de Ombudsman, naar aanleiding van de e-mail van de Secretaris-generaal, per e-mail contact opgenomen met de Minister van GMN om te informeren naar de stand van zaken met betrekking tot de afhandeling van de brief van de Ombudsman over de klacht inzake de Inspectie. Op deze e-mail is geen reactie ontvangen.
Nadat was gebleken dat het verzoek niet via een interventie kon worden opgelost, heeft de Ombudsman besloten de formele onderzoeksprocedure te starten.
Bij brief van 2 december 2025 heeft de Ombudsman het verzoekschrift van verzoeker aan de Minister van GMN toegezonden met het verzoek om een inhoudelijke reactie. Op deze brief heeft de Minister van GMN niet gereageerd.
Bij brieven van 8 januari 2026 en 28 januari 2026 heeft de Ombudsman de Minister van GMN herinnerd aan zijn brief van 2 december 2025. Ook op deze rappelbrieven heeft de Minister van GMN niet gereageerd.
De Voorlopige Bevindingen in deze zaak zijn op 13 februari 2026 uitgebracht. Verzoeker en de Minister van GMN zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren.
Verzoeker heeft niet gereageerd op de Voorlopige Bevindingen.
Bij e-mail van 27 maart 2026 heeft de Inspecteur de Ombudsman om een aanvullende termijn verzocht, teneinde het Ministerie van GMN alsnog de gelegenheid te geven om te reageren op de Voorlopige Bevindingen.
De Ombudsman heeft bij e-mail van 31 maart 2026 ingestemd met het verzochte uitstel, en heeft de nieuwe uiterlijke datum voor de reactie op de Voorlopige Bevindingen vastgesteld op 10 april 2026.
Een reactie op de Voorlopige Bevindingen door of namens de Minister van GMN is tot op heden uitgebleven.
De bevindingen
De voor de beoordeling van dit verzoek relevante bevindingen kunnen, kort samengevat, als volgt worden weergegeven.
Verzoeker is directeur bij (bedrijf), waar hij onder meer trainingen verzorgt, arbowerkzaamheden en ziekteverzuimtoepassingen begeleidt en werkzaam is als specialist op het gebied van arbeidsomstandigheden en welzijn.
Verzoeker heeft in die hoedanigheid meerdere malen contact gezocht met de Inspecteur over zijn constatering dat mogelijk personen arbodiensten verlenen zonder daartoe gerechtigd te zijn. Volgens verzoeker levert dit ten opzichte van (bedrijf) een zekere mate van oneerlijke concurrentie op.
Nu concrete actie van de Inspecteur uitbleef, heeft verzoeker, door tussenkomst van zijn advocaat, op 26 november 2024 bij de Inspecteur een klacht ingediend over het feit dat de Inspecteur niet handhavend optreedt tegen personen die ten onrechte diensten verlenen als bedrijfsarts en daarbij de wettelijk beschermde titel van bedrijfsarts voeren zonder daartoe gerechtigd te zijn.
Op 20 februari 2025 heeft verzoeker de Inspecteur via e-mail herinnerd aan zijn klacht van 26 november 2024. Hierop heeft verzoeker geen reactie ontvangen.
Bij brief van 7 maart 2025 heeft de Inspecteur de ontvangst van de klacht bevestigd. In deze brief heeft de Inspecteur verzoeker tevens geïnformeerd via welke e-mails de verdere correspondentie over de klacht kon worden gevoerd.
Bij e-mail van 10 maart 2025 heeft verzoeker de Inspecteur herinnerd aan zijn klacht van 26 november 2024.
In de periode van 17 april 2025 tot en met mei 2025 heeft verzoeker meerdere malen via WhatsApp contact gezocht met de Inspecteur. Op deze berichten heeft hij geen reactie ontvangen.
Verzoeker heeft tot op heden geen inhoudelijke reactie ontvangen op zijn klacht van 26 november 2024.
Beoordeling
De Ombudsman stelt allereerst vast dat de Minister van GMN gedurende het gehele onderzoek geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om een standpunt in te nemen of verweer te voeren. Nu de Minister van GMN de feiten, zoals weergegeven in onderdeel 2 van dit rapport, niet heeft weersproken of ontkend, merkt de Ombudsman deze als vaststaand aan.
De Ombudsman stelt vervolgens vast dat verzoeker na bijna anderhalf jaar nog steeds geen inhoudelijke beslissing of reactie van de Inspectie heeft ontvangen op zijn klacht. Deze lopende behandelingstermijn is onredelijk lang en is in strijd met de norm dat de overheid bij haar handelen de benodigde voortvarendheid dient te betrachten.
In het verlengde van het voorgaande merkt de Ombudsman op dat uit de beschikbare informatie blijkt dat verzoeker de door de Inspecteur op 7 maart 2025 aangewezen e-mails heeft gebruikt om naar de stand van zaken te informeren. Het uitblijven van elke reactie op deze berichten is in strijd met de normen van goede informatieverstrekking en betrouwbaarheid. Door de burger expliciet naar specifieke communicatiekanalen te verwijzen en deze berichten vervolgens onbeantwoord te laten, schendt de overheid de verwachtingen die zij zelf heeft gewekt.
Ten overvloede merkt de Ombudsman tot slot op dat – zoals onder meer is overwogen in het rapport van 24 december 2024, zaaknummer 20220578 – de onderhavige beoordeling van het uitblijven van een reactie van het Ministerie van GMN in beginsel losstaat van een inhoudelijk oordeel over de klacht zelf, zoals die oorspronkelijk bij de Inspectie is ingediend. Hieraan voegt de Ombudsman wel toe dat, los van de eventuele uiteindelijke inhoudelijke merites van die klacht, het mogelijk ongeoorloofd voeren van de titel van bedrijfsarts verstrekkende gevolgen voor de gezondheid van een grote groep burgers zou kunnen hebben en dus met de nodige voortvarendheid moet worden behandeld.
Oordeel
Op grond van het voorgaande is het uitblijven van een reactie van de Inspectie op de klacht van 26 november 2024 van verzoeker niet behoorlijk. Het verzoek is dus gegrond.
Aanbeveling
De Ombudsman geeft de Minister van GMN – mede ingevolge artikel 2, vierde lid, van de Landsverordening Inspectie voor de Volksgezondheid (P.B. 2016, no. 26) – in overweging om de Inspectie te instrueren om binnen zes weken na dagtekening van dit rapport de klacht van 26 november 2024 van verzoeker inhoudelijk te beantwoorden.
Willemstad, 19 mei 2026
De Ombudsman van Curaçao,
K.R. Concincion