Uitblijven besluit Minister van Justitie op verzoek om salariswijziging met terugwerkende kracht
Verzoekster heeft de Ombudsman van Curaçao eerst op 19 december 2022 namens een groep interieurverzorgsters benaderd met het verzoek om te bemiddelen bij het Ministerie van Justitie zodat zij en haar collega’s een inhoudelijke reactie zouden kunnen krijgen op hun desbetreffende verzoeken om salariswijzigingen met terugwerkende kracht. Toen duidelijk werd dat de interventie van de Ombudsman bij het Ministerie niet succesvol was geweest, diende verzoekster op 26 januari 2023 formeel een verzoekschrift in bij de Ombudsman, waarin zij verzocht om een onderzoek te doen naar de behoorlijkheid van het uitblijven van een reactie van de Minister van Justitie op haar verzoek om salariswijziging met terugwerkende kracht.
Bij brief van 17 maart 2023 heeft de Ombudsman het verzoekschrift van 26 januari 2023 aan de Minister van Justitie doen toekomen voor een inhoudelijke reactie. Op deze brief heeft de Minister niet gereageerd.
Bij e-mail van 29 mei 2023 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman de kabinetschef van de Minister, verwijzend naar de brief van de Ombudsman van 17 maart 2023, om haar medewerking in deze zaak verzocht en gevraagd naar de stand van zaken.
Bij e-mail van 1 juni 2023 heeft de kabinetschef van de Minister aangegeven dat zij de brief van de Ombudsman van 17 maart 2023 zal doorsturen naar de secretaris-generaal van het Ministerie.
Bij e-mail van 23 augustus 2023 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman de kabinetschef van de Minister benaderd met het verzoek om een gesprek in de week van 11 september 2023 om – onder andere – het verzoek van 26 januari 2023 van verzoekster te bespreken.
Bij e-mail van 28 augustus 2023 heeft de kabinetschef de Ombudsman – kort samengevat – laten weten dat een gesprek in de week van 11 september 2023 niet haalbaar zal zijn, maar dat zij ter voorbereiding van het gesprek het digitale dossier wenst te ontvangen.
Bij e-mail van 19 september 2023 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman de kabinetschef – onder andere – het digitale dossier van verzoekster toegestuurd. Een reactie op deze e-mail is uitgebleven. Een gesprek over het verzoek van verzoekster heeft niet plaatsgevonden.
Bij e-mail van 17 november 2023 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman de secretaris-generaal a.i. van het Ministerie het digitale dossier van verzoekster toegestuurd en haar herinnerd aan deze zaak. Een reactie op deze e-mail is uitgebleven.
Bij e-mail van 20 december 2023 heeft (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman de beleidsdirecteur van het Ministerie herinnerd aan – onder
andere – het verzoek van 26 januari 2023 van verzoekster. Desgevraagd heeft (deze medewerker van het Bureau van) de Ombudsman een afschrift van het digitale dossier van verzoekster per e-mail van 22 december 2023 naar de beleidsdirecteur toegestuurd.
Tijdens een gesprek bij het Ministerie met de beleidsdirecteur op 23 februari 2024 heeft de Ombudsman haar herinnerd aan het verzoek van verzoekster.
Op 5 juli 2024 nam (een medewerker van het Bureau van) de Ombudsman telefonisch contact op met een medewerker van het Ministerie om te informeren naar de status van de onderhavige zaak. In dit kader is afgesproken met de medewerker dat de Minister op uiterlijk 26 juli 2024 zou reageren. Bij e-mail van 5 juli 2024 heeft (deze medewerker van het Bureau van) de Ombudsman de medewerker van het Ministerie een digitaal afschrift van het dossier van verzoekster per e-mail toegestuurd en de afspraak bevestigd.
Op 24 juli 2024 verzocht een medewerker van het Ministerie de Ombudsman om de bovengenoemde deadline uit te stellen. De Ombudsman heeft dit verzoek tot uitstel gehonoreerd en is akkoord gegaan met 16 augustus 2024 als deadline. De nieuwe datum werd bevestigd per e-mail van 26 juli 2024.
Bij e-mail van 14 augustus 2024 heeft een medewerker van het Ministerie de Ombudsman geïnformeerd dat het dossier van verzoekster bij de Minister in behandeling is.
De Voorlopige Bevindingen in deze zaak zijn op 4 september 2024 uitgebracht en zowel verzoekster als de Minister zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Bij brief van dezelfde datum heeft de Ombudsman de Minister en verzoekster verder uitgenodigd voor een hoorzitting die op 18 oktober 2024 om 14:30 uur ten kantore van de Ombudsman zou plaatsvinden.
Verzoekster heeft niet gereageerd op de Voorlopige Bevindingen, terwijl een medewerker van het Ministerie de Ombudsman, namens de Minister, bij e-mail van 16 oktober 2024 heeft geïnformeerd dat de Minister niet op de hoorzitting aanwezig zal zijn omdat inmiddels een ambtelijk advies is opgesteld met betrekking tot de afhandeling van het geval van verzoekster.
Naar aanleiding van de bovengenoemde e-mail van 16 oktober 2024 heeft de Ombudsman, na telefonisch contact met verzoekster, de Minister per e-mail van 17 oktober 2024 geïnformeerd dat de hoorzitting niet zal doorgaan in afwachting van een beslissing op het verzoek van verzoekster om salariswijziging met terugwerkende kracht. In dit verband is de Minister tevens geïnformeerd dat, indien er begin november 2024 nog geen beslissing is genomen, de Ombudsman zal overgaan tot het uitbrengen van het rapport in deze zaak. Sindsdien heeft de Ombudsman geen reactie van de Minister ontvangen.
De bevindingen
De voor de beoordeling van dit verzoek relevante bevindingen kunnen, kort samengevat, als volgt worden weergegeven.
Verzoekster was sinds 1988 op contractbasis als werkster werkzaam bij het voormalige Centraal Historisch Archief dat destijds onder het Ministerie van Financiën ressorteerde. Verzoekster trad op 19 november 1990 als werkster in dienst bij het CHA. Verzoekster ontving op dat moment een salaris conform schaal 1 van de destijds voor overheidsdienaren geldende bezoldigingschalen.
Bij brief van 11 juni 1996 van het Hoofd CHA is de overplaatsing van verzoekster naar de functie van werkster bij de sectie Interne Hygiëne van het voormalige Korps Politie Nederlandse Antillen (thans Korps Politie Curaçao ) bevestigd.
Volgens verzoekster is zij bij de reorganisatie van het KPNA per 1 januari 2010 benoemd in de functie van bode en tot aan haar pensionering beloond conform schaal 2 van de destijds voor de overheidsdienaren geldende bezoldigingschalen.
Verzoekster stelt dat zij achteraf heeft begrepen dat de functie die zij destijds bekleedde, gewaardeerd had moeten worden op schaal 4. Volgens verzoekster komt zij daarom in aanmerking voor een salariswijziging met terugwerkende kracht.
Op 3 januari 2022 heeft een groep van interieurverzorgers (waaronder verzoekster) van de sector Hygiëne van het KPC met de minister gesproken over deze kwestie. Met deze groep is destijds afgesproken dat er aan de dossiers zou worden gewerkt.
Medio december 2022 werd de bovengenoemde groep interieurverzorgsters geïnformeerd dat de Minister over de desbetreffende dossiers beschikte en ermee aan de slag zou gaan. Toen de Minister geen verdere actie ondernam, heeft verzoekster de Ombudsman benaderd.
Beoordeling
De Ombudsman stelt allereerst vast dat de Minister al geruime tijd, in ieder geval sinds 3 januari 2022, op de hoogte is van het verzoek van verzoekster om een salarisaanpassing met terugwerkende kracht. Na bijna drie jaar heeft de Minister echter nog steeds geen beslissing genomen op dit verzoek. Deze nog steeds lopende beslistermijn is niet redelijk en is daarom in strijd met het beginsel dat de overheid de benodigde voortvarendheid dient te betrachten bij haar besluitvorming.
In dit verband is het ook van belang om op te merken dat uit de beschikbare documenten niet blijkt dat de overheid als (voormalige) werkgever van verzoekster na 3 januari 2022 met haar heeft gesproken of haar heeft benaderd om nadere informatie in deze kwestie te verkrijgen. Het spreekt echter voor zich dat de beoordeling door de overheid niet mag leiden tot een al te formalistische en bureaucratische houding, waarbij de menselijke maat wordt
vergeten. Het is daarom van belang dat bij de behandeling van deze zaak ook, waar mogelijk, contact wordt opgenomen met verzoekster om te waarborgen dat alle aspecten en informatie in acht zijn genomen bij het opstellen van de reactie en dat het uiteindelijke besluit van de overheid ook deugdelijk is. De overheid moet immers niet alleen het beginsel van goede voorbereiding naleven, maar ook open en duidelijk zijn in haar handelen.
Oordeel
Op grond van het voorgaande is het uitblijven van een reactie op het verzoek van verzoekster om salariswijzing met terugwerkende kracht niet behoorlijk. Het verzoek is dus gegrond.
Aanbevelingen
I. De Ombudsman geeft de Minister in overweging om ervoor zorg te dragen dat alsnog een beslissing wordt genomen op het verzoek van verzoekster om salariswijzing met terugwerkende kracht. De Ombudsman is van oordeel dat - mede gelet op het feit dat de behandeling van de onderhavige zaak zich in een vergevorderd stadium bevindt - een termijn van vier weken na dagtekening van dit rapport een redelijke termijn is om deze zaak af te ronden.
II. De Ombudsman geeft de Minister van Justitie verder in overweging om aan medewerkers van uitvoeringsorganisaties en andere instanties die onder zijn verantwoordelijkheid vallen, de verplichting op te leggen om burgers (waaronder overheidsmedewerkers) goed te informeren over hun lopende zaken.
Willemstad, 13 december 2024