Onderzoek van de Ombudsman naar mogelijke schending van de rechten van een minderjarige door een stichting
Verzoekster heeft op 10 juni 2025 een verzoek ingediend bij de Ombudsman om onderzoek te doen naar een gedraging van een stichting. Deze gedraging betreft voornamelijk de beslissing van 27 mei 2025 van de stichting op de klacht van 11 januari 2025 van verzoekster. Het onderzoek van de Ombudsman richt zich op de vraag in hoeverre de stichting de rechten van de minderjarige zoon van verzoekster heeft gewaarborgd dan wel geschonden.
Verzoekster stelt – kort samengevat – dat de stichting met haar beslissing van 27 mei 2025 op de klacht van 11 januari 2025 haar rechten als ouder met eenhoofdig gezag, en in het verlengde daarvan de rechten van haar kind, heeft geschonden. Verzoekster meent in essentie dat de stichting met de beslissing op haar klacht miskent dat:
a. de stichting zonder voorafgaande instemming van of afstemming met verzoekster heeft toegestaan dat de vader het kind heeft meegenomen naar een kennismaking bij het kantoor van de stichting;
b. verzoekster het recht op inzage in alle informatie betreffende haar kind is onthouden, waardoor zij diens belangen niet adequaat kon beschermen;
c. de stichting heeft nagelaten het behandeltraject formeel af te ronden, hetgeen leidt tot voortdurende onzekerheid over de rechtspositie van het kind.
Op 1 juli 2025 heeft de Ombudsman via e-mail de stichting benaderd met een algemeen verzoek over de werkprocessen die de stichting hanteert in de gevallen wanneer een persoon informatie vraagt over haar of zijn eigen dossier.
Op 3 juli 2025 heeft verzoekster haar verzoek bij de Ombudsman nader toegelicht.
Via e-mail van 7 juli 2025 heeft de stichting de Ombudsman bericht dat zij niet onder de bevoegdheid van de Ombudsman valt en dus niet verplicht is om de op 1 juli 2025 gestelde vraag te beantwoorden. De stichting heeft desalniettemin informatie verschaft en heeft verder, uit eigen beweging, enige inhoudelijke bevindingen die betrekking hebben op het geval van verzoekster vermeld. De stichting heeft geconcludeerd dat de Ombudsman niet bevoegd zou zijn om in het geval van verzoekster onderzoek te doen.
Bij e-mail van 11 juli 2025 heeft de Ombudsman de stichting verwezen naar de wettelijke bepalingen uit de Landsverordening ombudsman (zoals gewijzigd) ter onderbouwing van zijn bevoegdheid en aangegeven bereid te zijn, indien de stichting dit zou willen, in een nader overleg zijn bevoegdheid verder uit te leggen.
De Ombudsman heeft op 14 juli 2025 getracht verzoekster telefonisch te bereiken. Hoewel zij op dat moment niet bereikbaar was, heeft de Ombudsman haar kort daarna telefonisch gesproken. Tijdens dit gesprek is verzoekster onder andere geïnformeerd over de stand van zaken en de te nemen vervolgstappen in het onderzoek.
Op 17 juli 2025 heeft de stichting via e-mail, onder verwijzing naar haar interne procedures, de Ombudsman geïnformeerd dat zij niet verder zal reageren op het verzoek van 11 juli 2025 van de Ombudsman.
Bij e-mail van 18 juli 2025 is de stand van zaken nogmaals schriftelijk aan verzoekster bevestigd en is zij om terugkoppeling verzocht. De inhoud van dit bericht is vervolgens door de Ombudsman herhaald bij e-mail van 10 december 2025.
Bij e-mail van 23 juli 2025 heeft de Ombudsman de ontvangst van het bericht van 17 juli 2025 van de stichting bevestigd en de stichting geïnformeerd dat hij zich verder zal beraden over het vervolg van het onderzoek.
Verzoekster heeft op 15 december 2025 de nader door de Ombudsman verzochte terugkoppeling verschaft.
Op 13 januari 2026 hebben zowel de stichting als verzoekster een uitnodiging ontvangen voor een hoorzitting die zou plaatsvinden op 3 februari 2026.
De stichting heeft bij e-mail van 15 januari 2026 verzocht om uitstel van de hoorzitting. Dit verzoek is, na overleg met verzoekster, ingewilligd. De Ombudsman heeft de nieuwe datum voor de hoorzitting bepaald op 12 februari 2026.
Verzoekster heeft bij e-mail van 21 januari 2026 de Ombudsman verzocht om de hoorzitting te verplaatsen naar een datum na 20 februari 2026.
De Ombudsman heeft via e-mail van 26 januari 2026 de stichting geïnformeerd dat de hoorzitting van 12 februari 2026 diende te worden verplaatst. In deze e-mail is aan de stichting verzocht haar beschikbaarheid voor maart 2026 door te geven. Van de stichting is geen opgave van beschikbaarheid ontvangen.
Op 26 januari 2026 heeft de stichting de Ombudsman via e-mail enkele vragen gesteld omtrent de procedure van de hoorzitting. Deze vragen heeft de Ombudsman via e-mail van 27 januari 2026 beantwoord.
Op 26 januari 2026 heeft de Ombudsman verzoekster gevraagd naar haar beschikbaarheidsdata om een nieuwe hoorzitting te kunnen plannen. Verzoekster heeft via e-mail van 3 februari 2026 haar beschikbaarheid doorgegeven.
De Ombudsman heeft de datum van de nieuwe hoorzitting bepaald op 26 maart 2026.
Op 19 maart 2026 heeft de Ombudsman een herinneringsmail verstuurd naar de stichting om haar aanwezigheid bij de hoorzitting te bevestigen. De stichting heeft op dezelfde dag gereageerd en haar aanwezigheid bevestigd.
Op 26 maart 2026 hebben beide partijen deelgenomen aan de hoorzitting. Tijdens deze hoorzitting hebben zowel verzoekster als de stichting hun standpunten nader mondeling toegelicht en de vragen van de Ombudsman beantwoord. In essentie hebben zowel verzoekster als de stichting hun standpunten gehandhaafd. De stichting heeft haar standpunt herhaald dat de Ombudsman niet bevoegd zou zijn om dit onderzoek uit te voeren, omdat het traject dat verzoekster bij de stichting had doorlopen voornamelijk een ‘mediationtraject’ tussen de ouders van het kind betrof. Dit traject heeft, volgens de stichting, geen betrekking op de rechten van het kind. De Ombudsman heeft aan het eind van de hoorzitting aangegeven de Voorlopige Bevindingen in deze zaak uiterlijk 16 april 2026 te zullen uitbrengen.
De Ombudsman heeft verzoekster verder via e-mail van 27 maart 2026 verzocht om een nadere uitleg omtrent het mediationtraject bij de stichting. Deze e-mail heeft verzoekster via e-mail van 27 maart 2026 beantwoord.
De Ombudsman heeft via e-mail van 31 maart 2026 de stichting om een afschrift van haar statuten verzocht. De stichting heeft via e-mail van dezelfde datum de verzochte informatie verschaft.
Verzoekster heeft op 1 april 2026 via e-mail haar tijdens de hoorzitting ingenomen standpunt nader toegelicht. In dit verband heeft verzoekster onder andere verwezen naar een arrest van de Hoge Raad en de vindplaats aangegeven (ECLI:NL:HR:2014:91).
De Voorlopige Bevindingen in deze zaak zijn op 16 april 2026 aangeboden aan verzoekster en aan de stichting. Verzoekster en de stichting konden tot uiterlijk vier weken na dagtekening van de aanbieding van de Voorlopige Bevindingen reageren. Verzoekster heeft op 18 april 2026 op de Voorlopige Bevindingen gereageerd.
De stichting heeft op 29 april 2026 verzocht om een uitstel van vier weken om op de Voorlopige Bevindingen te reageren. De Ombudsman heeft dit verzoek ingewilligd en de stichting een eenmalig uitstel toegekend met de mogelijkheid om tot uiterlijk 7 juni 2026 te reageren op de Voorlopige Bevindingen.
Op 29 mei 2026 heeft de stichting een nieuw verzoek om uitstel ingediend. Dit verzoek is op dezelfde dag door de Ombudsman afgewezen met de additionele mededeling dat het rapport in de onderhavige zaak gepland stond om uiterlijk op 22 juni 2026 te worden uitgebracht. De stichting heeft vervolgens haar schriftelijke reactie op de Voorlopige Bevindingen, gedateerd 5 juni 2026, bij de Ombudsman ingediend.
De bevindingen
De voor de beoordeling van dit verzoek relevante bevindingen kunnen, kort samengevat, als volgt worden weergegeven.
Verzoekster en de vader zijn de ouders van een minderjarige zoon. Verzoekster oefent het eenhoofdig gezag uit over dit kind.
In het kader van het bereiken van een structurele omgangsregeling tussen de vader en het kind, is er contact tot stand gekomen tussen de ouders en de stichting, waarbij de ouders een mediationtraject zijn gestart. Uit het dossier blijkt dat verzoekster gedurende dit traject de primaire contactpersoon was voor de stichting.
De stichting heeft blijkens haar statuten en officiële website (laatst geraadpleegd op 17 juni 2026) tot doel om vroegtijdig problemen van of rondom minderjarigen in risicovolle en bedreigende opvoedingssituaties te signaleren en te begeleiden. Om die preventiedoelstelling te realiseren, heeft de stichting ervoor gekozen om primaire en secundaire preventieactiviteiten te ontwikkelen die voorkomen dat beginnende problemen verergeren en dat er voor deze kinderen een beroep op "publieke dwangfuncties" moet worden gedaan. Ter uitvoering van haar maatschappelijke opdracht beheert de stichting onder meer het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) en de Kinder- en Jeugdtelefoon (918). Voor de uitvoering van haar taken ontvangt de stichting structurele subsidie van de overheid van Curaçao. De stichting tracht haar doelstellingen te realiseren door datgene te verrichten dat in het belang is van deze kwetsbare doelgroep.
Het genoemde mediationtraject had, naast de verdeling van de zorg- en omgangstijd tussen de ouders en het kind, tevens tot doel om financiële afspraken vast te leggen over de onderhoudskosten voor het kind. Het betrof hierbij de verdeling van de verantwoordelijkheid voor de kosten van verzorging en opvoeding, waaronder een maandelijkse bijdrage van de vader in de kosten voor levensonderhoud, naschoolse activiteiten, kleding en overige noodzakelijke uitgaven ten behoeve van het kind.
De stichting hanteert voor de uitvoering van bemiddelingstrajecten een vastgesteld werkproces. Dit proces houdt in dat een maatschappelijk werker eerst individuele gesprekken voert met beide ouders. De aantekeningen van deze gesprekken worden verwerkt in een conceptovereenkomst, de zogenoemde ‘areglo di bishita’. Ouders worden vooraf geïnformeerd dat het traject op basis van vrijwilligheid plaatsvindt en dat zij zich op elk moment kunnen terugtrekken. Indien beide partijen instemmen met de inhoud van het concept van de overeenkomst, worden zij uitgenodigd om de overeenkomst gezamenlijk te komen ondertekenen.
Beide ouders worden verder vooraf geïnformeerd dat zij geen recht hebben op inzage in het volledige dossier of de interne notities, aangezien deze tevens informatie over de andere partij bevatten. De stichting biedt in plaats daarvan aan om een verklaring op te stellen waarin wordt bevestigd dat partijen in bemiddeling zijn geweest of dat het traject is afgerond. In gevallen waarin de stichting vaststelt dat zij een cliënt niet verder kan helpen, wordt dit gecommuniceerd via e-mail, een afsluitend gesprek of een officiële brief. De cliënt wordt daarbij verwezen naar andere instanties voor passende hulpverlening, waarbij het initiatief voor het leggen van het contact bij de (voormalig) cliënt zelf ligt.
De stichting stelt zich op het standpunt dat de informatie in een mediationdossier haar eigendom is en dat zij niet gehouden is deze informatie met derden te delen. In lijn met haar interne werkprocessen en protocollen hanteert de stichting een strikt beleid waarbij aan niemand – noch aan de betrokken ouders, noch aan externe organisaties – inzage wordt verleend in de dossierstukken. De stichting maakt op dit verbod uitsluitend een uitzondering indien hiertoe een gerechtelijke opdracht ligt. Volgens de stichting is de rechter de enige autoriteit die haar kan gelasten informatie uit het dossier kenbaar te maken dan wel vrij te geven.
Tijdens de hoorzitting heeft de stichting nader toegelicht dat het dossier waarvan verzoekster inzage wenst, enkel gegevens bevat die door verzoekster zelf zijn ingebracht. De stichting stelt zich op het standpunt dat inzage, zelfs indien dit zou worden toegestaan, geen toegevoegde waarde heeft voor verzoekster, aangezien zij al over alle relevante informatie in het dossier zou beschikken.
Tijdens het mediationtraject heeft de vader van het kind, kennelijk conform een afgesproken schema, de stichting bezocht om kennis te maken. Het kind verbleef op dat moment bij de vader en de vader heeft het kind meegenomen naar het kennismakingsbezoek. Verzoekster heeft naar aanleiding hiervan op 11 januari 2025 formeel een klacht ingediend bij de stichting.
Op 16 januari 2025 heeft verzoekster via e-mail een ontvangstbevestiging van de stichting ontvangen.
Op 27 maart 2025 heeft verzoekster een e-mail gestuurd naar de stichting met betrekking tot de afhandeling van haar klacht. Zij verzocht tevens om de formele afsluiting van het dossier en om inzage daarin. In het verlengde hiervan merkt de Ombudsman op dat de stichting tijdens de hoorzitting bij de Ombudsman heeft toegelicht dat de behandeling van de klacht vertraging heeft opgelopen vanwege personele onderbezetting, hetgeen nadien is opgelost door de werving van nieuw personeel.
Op 27 mei 2025 heeft verzoekster via e-mail de beslissing op haar klacht ontvangen. Op dezelfde datum heeft zij via e-mail aan de stichting kenbaar gemaakt dat zij het niet eens is met de inhoud van deze beslissing. Zij herhaalde daarbij haar verzoek om inzage en een formele bevestiging van de sluiting van het dossier met een officieel schrijven.
Op 2 juni 2025 ontving verzoekster een reactie van de stichting, waarin de stichting haar standpunt en de eerdere beslissing handhaafde, zowel voor wat betreft de inhoud van de beslissing op de klacht als de geweigerde dossierinzage en de formele afsluiting van het bemiddelingstraject.
Verzoekster heeft aangegeven dat zij inmiddels bij een andere organisatie een traject is gestart om tot gestructureerde afspraken te komen met de vader van het kind omtrent de omgang en de financiële bijdrage. Dit is een van de redenen waarom zij inzage wenst in het dossier van het mediationtraject bij de stichting: zij beoogt deze informatie te gebruiken ten behoeve van het traject bij de nieuwe organisatie.
Verzoekster heeft op 10 juni 2025 het onderhavige verzoek bij de Ombudsman ingediend.
Beoordeling
Beantwoording bevoegdheidsvraag
De stichting heeft in haar schriftelijke reactie van 5 juni 2026 expliciet het verweer gevoerd dat de Ombudsman onbevoegd is om het onderhavige onderzoek uit te voeren. De stichting baseert dit verweer voornamelijk op de stelling dat het door verzoekster bij haar doorlopen mediationtraject een private en op vrijwilligheid gebaseerde aangelegenheid betrof waarin de stichting niet optrad met enig openbaar gezag.
De Ombudsman merkt in het verlengde van het voorgaande allereerst op dat, zoals de stichting aangeeft, in dit geval geen sprake is van een handeling die is uitgevoerd op grond van enig openbaar gezag en dus bijvoorbeeld aan het oordeel van de bestuursrechter had kunnen worden voorgelegd. Voor het onderhavige geval is relevant dat blijkens de Landsverordening ombudsman, het onderzoek van de Ombudsman als tweedelijns-klachteninstantie zich richt op het onderzoeken van gedragingen. Artikel 1, eerste lid, sub c, van de Landsverordening ombudsman definieert een gedraging uitdrukkelijk als ‘het handelen of nalaten door een bestuursorgaan of door een privaatrechtelijke organisatie in een bepaalde aangelegenheid’. De term gedraging heeft dus niet enkel betrekking op (rechts)handelingen gebaseerd op openbaar gezag, maar op alle handelingen.
De bevoegdheid van de Ombudsman om in dit geval een onderzoek uit te voeren, vloeit rechtstreeks voort uit het wettelijke mandaat om toezicht te houden op privaatrechtelijke organisaties die – kort samengevat – een kinderrechtentaak uitvoeren. Artikel 1, eerste lid, sub h, van de Landsverordening ombudsman bepaalt als zodanig dat als privaatrechtelijke organisatie wordt aangemerkt ‘een rechtspersoon, niet zijnde een bestuursorgaan, die een taak uitoefent op het gebied van onderwijs, jeugdzorg [...] of anderszins belast is met een taak ten aanzien van jeugdigen’.
Op grond van haar statuten en de werkzaamheden die de stichting feitelijk verricht blijkt dat de kerntaak van de stichting behoort tot het domein van de jeugdzorg. Voor de toepasselijkheid van de Landsverordening ombudsman is de gebruikte methodiek van hulpverlening in de jeugdzorg (in casu ouderbemiddeling) niet doorslaggevend. De wetgever heeft bovendien met de toevoeging van ‘of anderszins belast is met een taak ten aanzien van jeugdigen’ aan de definitiebepaling van privaatrechtelijke organisatie, beoogd een dekkend stelsel van bescherming te bieden dat losstaat van de exacte inhoud van de kinderrechtentaak.
De Ombudsman is gelet op het voorgaande van oordeel dat de bevoegdheidsvraag positief moet worden beantwoord. De door de stichting gefaciliteerde ouderbemiddeling had mede tot doel een omgangs- en onderhoudsregeling ten behoeve van het kind vast te leggen. Dit betreft een feitelijke gedraging die de opvoedingssituatie en het welzijn van het kind rechtstreeks raakt, waarbij ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind het belang van het kind de eerste overweging dient te vormen.
Toelaten van het kind tot het kantoor van de stichting
Verzoekster heeft aangevoerd dat de stichting zonder voorafgaande instemming van of afstemming met haar heeft toegestaan dat de vader het kind heeft meegenomen naar een kennismaking bij het kantoor van de stichting.
De Ombudsman stelt in dit verband voorop dat uitgangspunt bij deze beoordeling is dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder (in dit geval: de vader) in beginsel recht hebben op omgang met elkaar. Het kind verbleef op het moment van de kennismaking dan ook onder de feitelijke hoede van de vader, die hem onaangekondigd meenam naar het kantoor van de stichting. Op het moment dat de vader en het kind op het kantoor aankwamen, was er sprake van een feitelijke situatie waarin voorafgaande afstemming met verzoekster niet meer mogelijk was.
In het kader van het vorenstaande merkt de Ombudsman op dat op een gespecialiseerde en mede door de overheid gesubsidieerde jeugdzorginstantie, een zorgplicht rust bij het reguleren van de rust en veiligheid binnen haar kantooromgeving. Deze zorgplicht weegt in dit concrete geval extra zwaar, nu uit het dossier blijkt dat de stichting bekend was met de autismespectrumstoornis van de minderjarige. Voor een kind met een dergelijke diagnose zijn structuur en het vermijden van onvoorspelbare en potentieel conflictgevoelige omgevingen van cruciaal belang. De stichting kan zich in algemene zin dan ook niet onttrekken aan haar zorgplicht door te stellen dat de komst van een kind naar haar kantoor louter een autonome beslissing van een ouder betreft.
Bij de beoordeling van deze specifieke gedraging dient echter ook rekening te worden gehouden met de feitelijke escalatierisico's ter plekke. Hoewel de stichting verzoekster direct na het bezoek per WhatsApp heeft geïnformeerd over de aanwezigheid van het kind bij haar kantoor, is de Ombudsman van oordeel dat het op dat specifieke moment weigeren van de toegang aan de vader en het kwetsbare kind, de onderlinge spanningen had kunnen doen oplopen. Een dergelijke escalatie had het kind, mede gezien zijn diagnose, mogelijk in een nog directere situatie van stress kunnen brengen. De keuze van de stichting op dat moment om het kennismakingsgesprek onder deze specifieke omstandigheden doorgang te laten vinden, wordt door de Ombudsman dan ook aangemerkt als een vorm van noodzakelijke schadebeperking. De Ombudsman concludeert op grond van het voorgaande dat de stichting onder deze uitzonderlijke omstandigheden niet heeft gehandeld in strijd met het belang van het kind.
Onthouden recht op inzage
Verzoekster klaagt erover dat haar het recht op inzage in alle informatie betreffende haar kind is onthouden, waardoor zij diens belangen niet adequaat kon beschermen. Zij stelt dat de stichting zich ten onrechte heeft beroepen op een geheimhoudingsplicht.
De Ombudsman merkt in dit verband allereerst op dat het mediationdossier het resultaat is van een gezamenlijk en vertrouwelijk proces tussen twee partijen die in conflict zijn. Alle informatie in het dossier, is in beginsel ingebracht om tot een oplossing te komen onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de informatie vertrouwelijk blijft. Partijen tekenen in dit verband vooraf een overeenkomst waarmee zij vrijwillig en bewust afstand doen van het recht om die informatie later buiten het specifieke mediationtraject te gebruiken of op te vragen. Het inzagerecht wordt hier dus vooraf contractueel ingeperkt om het welslagen van het mediationtraject zoveel mogelijk te bevorderen.
Blijkens bestendige jurisprudentie (zie in dit verband o.a. Rb. Amsterdam 23 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7251 en Hof Amsterdam 24 maart 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:938, RFR 2020, 97) zal het niet snel voorkomen dat een deelnemer aan een mediationtraject ontheven wordt van de afgesproken geheimhoudingsverplichting. Er moet in ieder geval aantoonbaar sprake zijn van een ‘urgente noodsituatie’ die een dergelijke doorbreking rechtvaardigt. Als voorbeeld hiervan wordt in de jurisprudentie de situatie genoemd waarin de mediation wordt gebruikt als dekmantel voor strafbare activiteiten, of de situatie waarin handhaving van de geheimhoudingsplicht schade zou toebrengen aan bepaalde kwetsbare personen, zoals bij kindermishandeling.
De weigering van de stichting om inzage in het dossier te verlenen is in het licht van het voorgaande niet op voorhand onjuist. Door deze weigering kan verzoekster weliswaar niet zelfstandig verifiëren of de stelling van de stichting (dat het dossier uitsluitend de door verzoekster ingebrachte stukken bevat) juist is, maar uit de beschikbare informatie blijkt niet dat er redenen zijn om aan te nemen dat een uitzonderingsgrond aanwezig was die de geheimhoudingsplicht die uit de mediationovereenkomst voortvloeit in dit specifieke geval opzij kon schuiven. De stichting kon het naleven van deze geheimhoudingsplicht redelijkerwijs in de uitkomst van haar afweging betrekken en dit kan haar dan ook niet als onbehoorlijk worden aangerekend. De Ombudsman concludeert in dit kader dat de stichting niet heeft gehandeld in strijd met het belang van het kind.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat voor zover verzoekster vreest dat zij door het uitblijven van deze inzage de belangen van haar kind niet adequaat kan beschermen, deze vrees op zich kan worden weggenomen door de verwijzing van verzoekster door de stichting naar overheidsorganisatie Protehami, en het feit dat de verzoekster inmiddels een nieuw mediationtraject bij een andere organisatie is gestart die zelfstandig een dossier zal opbouwen ten behoeve van de actuele hulpverlening. Het respecteren van de eerdere geheimhouding door de stichting vormt derhalve geen onoverkomelijke blokkade voor de lopende belangenbehartiging van het kind.
Formele afronding behandeltraject
Verzoekster is van mening dat de stichting heeft nagelaten het behandeltraject formeel af te ronden, hetgeen leidt tot voortdurende onzekerheid over de rechtspositie van het kind.
Uit de beschikbare informatie blijkt dat in de e-mail van 27 mei 2025 van de office manager van de stichting, expliciet staat vermeld dat ‘de casus’ (door de Ombudsman gelezen als ‘het mediationtraject’) is gesloten. In deze berichtgeving is ook aangegeven dat, mocht verzoekster verdere vragen hebben of aanvullende informatie behoeven, zij contact kan opnemen met Protehami. In een e-mail van 2 juni 2025 is dit standpunt door de stichting herhaald, waarbij tevens een fysieke brief is aangeboden ter schriftelijke bevestiging van de sluiting van het bemiddelingstraject.
De Ombudsman concludeert op grond van het voorgaande dat de stichting op ondubbelzinnige wijze aan verzoekster heeft kenbaar gemaakt dat het mediationtraject bij haar was beëindigd. In dit verband speelt verder ook een rol dat verzoekster, voorafgaand aan deze correspondentie, zelf het mediationtraject had beëindigd vanwege haar ontevredenheid over de stichting. Nu het initiatief tot beëindiging van het mediationtraject bij verzoekster lag, hadden de daaropvolgende mededelingen van de stichting het karakter van een formele bevestiging van een reeds bestaand feit.
Van een nalaten door de stichting of een daardoor ontstane voortdurende onzekerheid over de rechtspositie van het kind is naar het oordeel van de Ombudsman dan ook niet gebleken. De conclusie op grond van het voorgaande is dat de stichting op dit onderdeel niet heeft gehandeld in strijd met het belang van het kind.
Oordeel
Op grond van het voorgaande is de beslissing van 27 mei 2025 van de stichting op de klacht van 11 januari 2025 van verzoekster niet in strijd met het belang van het kind. Het verzoek is dus ongegrond.
Willemstad, 19 juni 2026
De Ombudsman van Curaçao,
K.R. Concincion
Een document downloaden en openen
Een pdf-bestand kun je openen in verschillende PDF-lezers, zoals Adobe Reader.